Nieuw licht op het Rampjaar 1672

Dit jaar is een herdenkingsjaar. Het jaar 1572, nu 450 jaar geleden, is in de woorden van de organiserende organisatie, het jaar van De Geboorte van Nederland, beginnend met de verovering van Den Briel door de watergeuzen. Eveneens wordt dit jaar in veel Nederlandse steden en dorpen de eerste zware bedreiging van de nog maar kort bestaande Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden herdacht, het Rampjaar, nu 350 jaar geleden.  

Anne Doedens

Het volk was redeloos,
de regering radeloos en
het land reddeloos

Oorlog en tirannie teisteren Nederland, prent van Romeyn de Hooghe, 1674 
Rijksmuseum Amsterdam 

Oorlog op het land en op het water 

“Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos”. Zo kennen we het Rampjaar 1672 uit de boeken. De bisschoppen van Münster en Keulen vielen ons land vanuit het oosten binnen en belegerden enige tijd tevergeefs Groningen, maar zetten daarna de strijd voort in Friesland en Groningen. Het enorme leger van de Franse koning Lodewijk XIV (honderdduizend man of meer) was inmiddels in juni 1672 vanuit Charleroi het land binnengevallen en trok om Maastricht heen op naar het westelijk deel van het Duitse Rijk en naar de Rijn, die bij Lobith werd overgestoken. Utrecht en de steden langs de IJssel gaven zich in dezelfde maand juni beschamend snel over. 

De opmars van Lodewijks troepen kwam bij Muiden tot stilstand. Vandaar richtten zij het begerige oog op de rijke handelsstad Amsterdam. In de winter 1672-1673 trokken ze met 5000 man zelfs heel even over de bevroren Hollandse Waterlinie en bedreigden het gewest Holland. Een snel invallende dooi voorkwam groot onheil. Inmiddels waren in augustus raadpensionaris Johan de Witt en zijn broer Cornelis vermoord. Tot eind 1673 zuchtte de boerenbevolking op het platteland onder Franse plunderingen en brandschattingen. Moordpartijen in Bodegraven, Zwammerdam en elders zijn berucht. Kastelen overal in het bezette land werden verwoest, van Amerongen tot Breukelen. De inderhaast opgeworpen Hollandse Waterlinie hield ternauwernood stand. 

Ook aan de zeekant was de dreiging groot: een Engelse vloot, gesteund door een Franse, dreigde een landing uit te voeren op de Zeeuwse kust. Dat de aanvallers uiteindelijk geen succes hadden, mag een wonder heten. Het jaar 1672 was kortom cruciaal voor het voortbestaan van de Republiek. 

Dit verhaal is gelukkig nog steeds bekend en wordt door de vele herdenkingen in den lande in de collectieve herinnering teruggebracht. Een paar aspecten verdienen echter bijzondere aandacht, omdat ze tot nog toe nauwelijks belicht zijn. 

Een oude man kijkt terug op zijn jeugd 

Een munt uit Schoemakers collectie: Sol sta, Zon sta stil, een verwijzing naar de aftocht van Lodewijk XIV eind 1673 
Manuscript Schoemaker, Kon. Bibliotheek Den Haag, foto Anne Doedens 

Toen de Fransen met hun bondgenoten Engeland, Münster en Keulen in juni 1672 Nederland bedreigden en binnenvielen, was de doopsgezinde Andries Schoemaker twaalf jaar oud. Hij was erbij toen er paniek in Amsterdam uitbrak over de naderende Fransen, die vanaf Naarden en Muiden de stad aan de Amstel wilden belagen. Hij trok naar de kust om De Ruyter aan het werk te zien. Toen hij ongeveer zeventig jaar oud was, beschreef hij in onbeholpen Nederlands wat hij had meegemaakt in het Rampjaar. Die aantekeningen vulde hij aan met informatie van ooggetuigen, tijdgenoten en uit boeken. Onlangs werd zijn in de vergetelheid geraakte werk over het Rampjaar weer teruggevonden. In zijn ongelijkmatig schrift komen meer dan een halve eeuw na de gebeurtenissen zijn emoties weer boven. Schoemakers afkeer van de Franse moordbranders en roofvogels komt keer op keer tot uiting. Zoals wanneer hij schrijft over de verwoesting van kastelen en buitenplaatsen aan de Vecht en in ’s-Graveland: “Deze huizen [in dit geval die van admiraal Cornelis Tromp en zijn vrouw] zijn niet aan het woedende geweld van de Franse moordbranders ontsnapt, maar werden verpulverd en tot de grond toe verwoest en in een puinhoop veranderd.” Of als hij melding maakt van de verwoesting van een dorp als Abcoude: “Daar hebben de moordbranders […] ervoor gezorgd dat de inwoners het noodlot van de oorlog en de gruwelijke geweldenarijen van de Franse moordbrander moesten ondergaan.” 

Onverbloemd is Schoemakers dedain over de ‘papisten’, rooms-katholieken die heulden met de vijand. Hoon druipt uit Schoemakers pen als hij beschrijft hoe de katholieken zich in zijn ogen misdroegen in het aan Lodewijk XIV overgegeven Utrecht. Het indrukwekkendst zijn echter Schoemakers herinneringen aan zijn tijd als twaalfjarige jongen in Amsterdam, waar hij de angst voor de naderende Fransen zelf proefde en de verwarring in de stad ervoer. Het stond een halve eeuw na dato nog in zijn geheugen gegrift: 

Het leek of alles door elkaar liep. De aandelen van de VOC, die voorheen voor 572 gulden werden verkocht, werden nu voor 250 gulden aangeboden; kapitaal dat eerst nog 5 procent rente opleverde, werd nu voor een 4 à 5 procent lagere waarde verkocht. De Wisselbank was gesloten. Kortom, alles was in verwarring en paniek. Op zeker moment […] zei een zeer aanzienlijke heer tegen mijn moeder Marretje Pietersdochter: “Ik ga nu ter kerke alsof het de laatste keer is dat we dat in vrijheid kunnen doen. Als je op straat geluid hoort, houd je dan maar stil in huis.” 

Lezing van deze bijzondere historische bron brengt de ervaringen van een tijdgenoot heel dichtbij. Dat geldt ook voor Schoemakers hierna vertelde verhaal. 

De aanval van Sir Robert Holmes op de Nederlandse Smyrnavloot, 23 en 24 maart 1672. Deze tekening uit circa 1672 is van de hand van een onbekende Nederlandse kunstenaar. Op de tekening zijn in het Nederlands aantekeningen gemaakt over de eerste dag van deze maritieme krachtmeting.  
National Maritime Museum, Greenwich, Londen 

De Spaanse Nederlanden, Aardenburg en Sas van Gent 

Utrecht, Holland, de Waterlinie, de IJssel en Groningen staan centraal in de vele geschriften over het Rampjaar. Maar ook de Zuidelijke Nederlanden en Zeeuws-Vlaanderen speelden een belangrijke rol. We lezen bij Schoemaker over de aanval op Aardenburg in de zomer van 1672: 

Hier stootten de Fransen lelijk hun hoofd, ook al waren de vestingwerken nogal verwaarloosd. Het magazijn was matig bevoorraad en er lag een kleine, maar erg dappere bezetting. Op 25 juni [1672] hoorden de inwoners dat ze een kwalijk bezoek van Franse roofvogels zouden krijgen. De […] gouverneur van Ath had in opdracht van de Franse koning bij Deinze een leger van ongeveer zesduizend man uit de veroverde Vlaamse en Brabantse steden verzameld om naar Aardenburg op te trekken. Die nacht zou de vijand een aanslag op de stad plegen. De Aardenburgers hadden geen trek in de Fransen en hun slavernij en lieten overal de wacht verdubbelen. […] De vijand trok regelrecht naar de poort […]. Het was een moedige aanval, maar de verdediging was nog moediger. De vijand werd bij de wallen verdreven en verloor bij deze aanval wel vijfhonderd doden en gewonden. [Daarop volgt nog een bestorming] […] waarbij ongeveer tweehonderd Fransen sneuvelden en tweeëndertig boerenwagens met gewonden werden afgevoerd. Het totale Franse verlies aan doden, gewonden en gevangenen werd op vijftienhonderd man geschat. […] Deze fraaie ommekeer van de gebeurtenissen bij de stad Aardenburg komt voor een belangrijk deel op het uiterst prijzenswaardige conto van de vrouwen van de stad te staan. Die sekse is ongeschikt om oorlog te voeren, maar tijdens deze actie hebben ze mannenmoed getoond. Ze verschenen op de borstweringen, spraken hun mannen moed in, vulden de draagbanden met kruit en voerden alle noodzakelijke voorraden aan. Als er gebrek aan kogels of schroot voor het kanon was, brachten ze ladingen spijkers uit hun winkels. Ze sloegen ook hun ijzeren potten aan stukken om door het geschut afgeschoten te worden. 

In de loop van 1673 verloor Lodewijk XIV zijn geduld in de Republiek. Hij richtte zich in toenemende mate op de Zuidelijke Nederlanden. In juni 1673 veroverden de Fransen Maastricht en daardoor werden ook Spanjes Zuidelijke Nederlanden oorlogsterrein, een allang begeerde Franse buit. In mei 1673 werden Franse troepen ingezet om zich meester te maken van Sas van Gent. Meer daarover lezen we in het werk van Schoemaker: 

Eind mei [1673] probeerden de Fransen Sas van Gent door verraad in handen te krijgen. […] [De Franse bevelhebber] zette daarvoor kapitein Launay in […]. [Die] moest kapitein Robert de Berceau, Heer van Remouchamps, commandant van het Fort Sint Anthonius, overhalen om de kant van de Fransen te kiezen. Een paar schansen van Sas van Gent konden dan ingenomen worden door Fransen die zich als overlopers zouden voordoen. […] Ondertussen zou de koning, die met zijn leger in Atrecht was, op 28 mei [1673] naar Sas van Gent oprukken. Deze mijnheer Berceau had zich […] [echter] tot de prins van Oranje gewend en hem alles verteld. […] Ter verdere aanmoediging hadden de Fransen mijnheer Berceau een hoog voorschot van 11.000 gulden in contanten aangeboden, als onderdeel van een bedrag van in totaal 33.000 gulden. De loyale mijnheer Berceau wees dit gouden lokaas van de hand. […] Als het leger van de koning door deze krijgslist niet was opgehouden [en Willem III niet tijdig gewaarschuwd zou zijn door] deze mijnheer Berceau, was Sas van Gent zonder twijfel verloren gegaan. […] Toen de Franse koning doorkreeg dat men hem goed beet had gehad […] besloot hij op te breken. 

De strijd op het water van de Waterlinie 

Op zee werkten Fransen en Engelsen samen. De Engelse marine ondernam diverse pogingen een invasie in Zeeland uit te voeren. Dat personeel van de vloot toen ook aan land, in de ondergelopen weilanden en op de rivieren en stromen van de Waterlinie een grote rol speelde, is echter zeker geen algemene kennis. Vlak voor de daadwerkelijke Franse inval in juni 1672, gaven de Staten-Generaal opdracht extra militaire binnenschepen – uitleggers genoemd – te bouwen. Enkele maanden later waren er al 84 beschikbaar. De inzet van deze kleine oorlogsbodems verhinderde dat de vijand doordrong in het hart van het gewest Holland. Bij deze strijdwaren vooraanstaande vlagofficieren betrokken. Michiel de Ruyter moest de verdediging van Amsterdam organiseren en vanaf de Zuiderzee dekking geven aan deze bedreigde stad. Vanaf uitleggers werd hevig geschoten op de boeren uit het Gooi, die gedwongen werkten aan Franse versterkingen bij Muiderberg. 

Het was oud-burgemeester Jacob Lobs van Medemblik die voor de eerste keer in juni 1672 als admiraal van een vloot van honderd kleinere schepen op de Zuiderzee werd ingezet. Een belangrijke vlagofficier was viceadmiraal Isaac Zweers, die leiding gaf aan 24 compagnieën matrozen, die uitgerust met snaphanen (geweren) en sabels aan de waterkant bij de voornaamste stellingen werden geposteerd. 

Kolonel François Palm, de opvolger van de op 7 juni 1672 gesneuvelde eerste commandant van de mariniers, luitenant-admiraal Van Ghent, richtte langs het water bij Uithoorn tot aan Wilnis en Vinkeveen wachtposten in die Holland als door een muur beschermden. In september 1673 ging hij met honderden mariniers voorop in de succesvolle herovering van de vesting Naarden. Een uitlegger beschoot toen de stad vanaf de Zuiderzee. 

De belegering van Naarden door prins Willem 
Manuscript Schoemaker, Kon. Bibliotheek Den Haag, foto Anne Doedens 

Ook elders opereerden op beslissende momenten uitleggers met marinepersoneel. Tijdens de winter van 1672-1673 – op de Noordzee werd toen niet gevochten – werden veel zeelieden ingezet bij de landoorlog. Hun acties waren effectief. Zoals in december 1672, toen een uitlegger bij Woerden de Franse troepen van Lodewijks maarschalk Luxemburg een andere richting op dwong. In januari 1673 waren uitleggers met marinepersoneel op de Vecht bij de belangrijke versterking Nieuwersluis gestationeerd, een sleutelpost in de Waterlinie, in totaal zestien vaartuigen. Later die maand hielden uitleggers Franse troepen tegen bij het strategisch gelegen Hollandse dorp Nieuwerbrug. Ook op de grote rivieren speelden ze een belangrijke rol, zoals op de Merwede bij Gorinchem, bij het Tolhuis bij Lobith en bij Nijmegen in de zomer van 1672 en bij Zaltbommel, Ameide en Vianen in november 1672 en mei 1673. 

Spionage via de Noordzee 

Een lang over het hoofd gezien aspect van het Rampjaar is de spionage via postboten, die merkwaardigerwijs doorgaans ongehinderd tussen Den Briel en Harwich bleven varen. Silas Taylor, havenmeester van Harwich, speelde een centrale rol in het aansturen van het Engelse spionnennetwerk in de Republiek, dat zijn informatie via de postboot doorgaf. Hij verzamelde informatie over de vloot, de oorlogsvoorbereidingen, troepensterkte en -paraatheid om het vervolgens door te geven aan Joseph Williamson, lid van het Lagerhuis. Die informeerde op zijn beurt invloedrijke politici rond de Engelse koning Karel II en de admiraliteit. Ook deze bron werd onlangs ontsloten. Belangrijke gedeelten daaruit werden hertaald. Ze bevatten informatie over tekorten aan munitie, trage werving van bemanningen en ongeoefendheid van de vloot. Er blijken bijvoorbeeld wel voldoende geweren te zijn geweest, maar slechts weinigen konden daarmee omgaan wegens gebrek aan opleiding, terwijl ook kruit erg schaars was. Ook contraspionage komt aan bod. Zo meldden de Engelse agenten dat een complot om de Nederlandse oorlogsschepen in de haven van Rotterdam in brand te steken, werd verijdeld. Uitvoerig wordt gerapporteerd over de grote psychologische klap voor de Republiek die de onverwachte Engelse aanval in maart 1672 op de Nederlandse handelsvloot uit de Middellandse Zee betekende, nog voordat de oorlogsverklaringen waren afgekondigd … Het ontbreekt in dit verhaal niet aan smakelijke details, zoals de beschrijving van het voormalige Engelse vlaggenschip de Royal Charles, in 1667 prijsgemaakt bij Chatham, dat voor de havenmond van Hellevoetsluis een oord van plezier voor de Nederlanders was, maar ergernis opwekte bij de Engelsen, die het schip bij hun aankomst wel moesten zien. 

Het in 1672 verwoeste Huis Maarssen 
Manuscript Schoemaker, Kon. Bibliotheek Den Haag, foto Anne Doedens 

Tot slot 

De Republiek overleefde miraculeus dit Rampjaar. Niet in de laatste plaats door de nieuwe aanvoerder, stadhouder Willem III en dappere admiraals als Michiel de Ruyter, die onder meer door zijn inzet tijdens de befaamde Slag bij Solebay (7 juni 1672) een Engelse landing wist te verhinderen. Kortom, 1672 is een jaar dat een grote plek in het collectieve geheugen verdient en waarvan de definitieve geschiedenis, gelet op het vele onderzoek dat nog gedaan moet worden, nog niet geschreven is. 

Literatuur  

Doedens, A., Mulder, L. & De Ruyter de Wildt, F. (2022). Agenten voor de Koning: Engelse spionage tijdens het Rampjaar 1672. Waanders. 

Doedens, A. & Mulder, L. (2022). Moordbranders in de Republiek: Het Rampjaar door de ogen van Andries Schoemaker, juni 1672-november 1673. Walburg Pers. 

Anne Doedens werkte als docent nieuwe geschiedenis o.a. bij hogeronderwijsinstellingen in Amsterdam. Hij publiceerde met name op het terrein van de Nederlandse geschiedenis van de nieuwe tijd. Zijn specialismen zijn: maritieme geschiedenis en militaire geschiedenis / oorlogsgeschiedenis.  
Contact: www.annedoedens.com 

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2022/3.

Naar boven