Lof van de vertaalwetenschap
Auteur: Ton Naaijkens
In de loop der jaren blijk ik beroepshalve een aantal teksten te hebben afgeleverd waarvan de titels bij nader inzien verdraaid veel op elkaar lijken. Een Lof der traagheid in 1989, een Lof van de verandering in hetzelfde jaar, een Lof van de verbeelding en een Lof van de vanzelfsprekendheid vier jaar later. Afgelopen maand opende ik in Antwerpen de elfde Vlaams-Nederlandse Intensieve Cursus Literair Vertalen en voegde ik er een Lof van de vertaalwetenschap aan toe. Schatplichtig ben ik natuurlijk aan Erasmus en diens befaamde Lof der zotheid, juist omdat deze ook zo Vlaams georiënteerde Hollander het grootste deel van de mensen als ‘niet goed wijs’ beschouwde. Twijfel over wat je doet, is gezond, leerde ik van deze Rotterdamse filosoof, die vooral ook vertaler was en in die hoedanigheid worstelde met vrijwel alle keuzes die hij moest maken. Zelfrelativering is een groot goed.
Voor een lof op de vertaalwetenschap komt een schutspatroon als Erasmus van pas en hij prikkelt ook genoeg om die lof vervolgens te relativeren. Ik beperkte me daarom tot de zeven schoonheden van de vertaalwetenschap en zette daar zeven ergernissen tegenover. De vertaalwetenschap is niet onomstreden en wordt omwoekerd door vooroordelen: ze zou normatief zijn en zich scharen achter uitspraken als vertalen is verliezen; ze zou nog altijd geen overkoepelende theorie ontwikkeld hebben; ze zou saai zijn en zich niets aantrekken van het vertalen zelf, laat staan van vertalers. Het kost nauwelijks moeite ergernissen te verzamelen – de zorgen om het vertalen blijven groot, het blijft immers behelpen met aardse zaken als de status van een vertaling, de betaling van de vertaler, de notoire en hardnekkige twijfels die rond alle vertalen hangen. Daar helpen de zelfbewuste en briljante vertalers over wie we in ons taalgebied beschikken, helaas niet bij. Hoogst ergerlijk is vooral dat de vertaalwetenschap naar verluidt bepaalde vertalingen zou uitsluiten. Dat is juist niet het geval: alle bloemen mogen bloeien, in welke staat ze ook uitgroeien en zich vertonen.

Vertaalwetenschap behelst voor mij alles rond en met vertalen, alle kennis met andere woorden over een verleidelijk object, alle denken erover, inclusief het denken dat nodig is om te vertalen; en alle vertalen zelf ten slotte, want vertalingen bevatten meer wijsheid, humor en schoonheid dan doorgaans gedacht wordt.
Voor een lof op de vertaalwetenschap komt een schutspatroon als Erasmus van pas en hij prikkelt ook genoeg om die lof vervolgens te relativeren
Tot de zeven schoonheden reken ik in ieder geval dat het terrein dat de discipline beslaat, een roerig slagveld aan meningen is en dus allesbehalve verveelt. Voor wie over een historisch zintuig beschikt, valt veel terug te blikken, en ook voor wie de actualiteit zoekt, valt er veel te beleven – ontdekkingen die zonder vertaling niet mogelijk zouden zijn, hervertalingen die een nieuw licht laten schijnen over vergeten boeken en vergelijkingen mogelijk maken, debatten alom. Het gaat bovendien steeds om zaken die van direct maatschappelijk, cultureel of politiek belang zijn. Vertalen is niet los te zien van sociale, morele en dus algemeen menselijke kwesties. En daarom blijft vertaalwetenschap ook zo onlosmakelijk verbonden met vertalen, of je dat nu een vak, een kunde of een kunst noemt. Diversiteit, debat en duurzaamheid bepalen vertaling en het is vervolgens verstandig om te wijzen op het vergankelijke van de handeling waarmee iemand een gegeven tekst naar zijn hand zet en opnieuw vormgeeft.
En daarom blijft vertaalwetenschap ook zo onlosmakelijk verbonden met vertalen, of je dat nu een vak, een kunde of een kunst noemt.
Van de liberale, misschien ook ietwat vrijblijvende kant van de disciplinaire afbakening ben ik me wel bewust. Daarom deed het me goed om in de nieuwe biografie van de hoogleraar neerlandistiek Albert Verwey, die tevens dichter was, te lezen dat hij in zijn tijd beschouwd werd als dichterlijk geweten en geprezen werd als créateur des valeurs, schepper van waarden. Daarachter ligt de opvatting dat een wetenschap zich vergist als zij zich alleen maar richt op vernieuwing van kennis of – erger nog – van alleen in eigen contreien ontwikkelde kennis. Het gaat niet alleen om vooruitgang maar ook om benutting en verspreiding van kennis. Het is met andere woorden goed om het academische en maatschappelijke debat naar een hoger niveau te tillen door te onderwijzen, te stimuleren, geïnteresseerden te wijzen op het wonderlijke en schone dat als het ware voor het oprapen ligt. Vertalen is leuk, het erover hebben dus ook. Vertaallust is ook de basis van het toenemend aantal vertaalwedstrijden, zogenaamde vertalersgeluktournees en vertaalmanifestaties bij het al even toenemend aantal festivals die muziek en literatuur combineren. Je zou met Roland Barthes intussen willen spreken van le plaisir de traduire en van vertalen het lustobject maken waar creativiteit en kritiek, meertaligheid en kennis, geschiedenis en schrijfkunst van nature een voedingsbodem vinden.
Begin dit jaar bezocht ik in de geboortestad van Erasmus een tentoonstelling die simpelweg Change the System werd genoemd. Het deed terugdenken aan de jaren zestig en zeventig, maar de intentie was hyperactueel. Het ging om kunstenaars en ontwerpers die in hun werk de wereld onderzochten. Je zou bij alle vormgeving die meespeelt, kunnen zeggen: op een zo wetenschappelijk mogelijke wijze. Dat is, denk ik, een parallel met ontwikkelingen in andere delen van de samenleving: de groeiende vraag naar impact en betrokkenheid met zaken die groter zijn dan wijzelf. Voor de kunstenaars in Boijmans Van Beuningen was dat het milieu, het antropoceen, het verlies aan werkelijkheidszin door de digitalisering. Change the System was dus bloedserieus bedoeld.
Het is met andere woorden goed om het academische en maatschappelijke debat naar een hoger niveau te tillen door te onderwijzen, te stimuleren, geïnteresseerden te wijzen op het wonderlijke en schone dat als het ware voor het oprapen ligt.
Vertalen zou mijns inziens ook meer gezien worden in het kader van maatschappelijke verandering, en het is dan meer dan meegenomen dat verandering aan de basis ligt van het vertalen zelf. Nobelprijswinnaar Brodsky zei al eens dat vertalen met censuur gemeen heeft dat ze allebei opereren op basis van het wat-is-er-mogelijkprincipe, “waarbij opgemerkt dient te worden dat taalbarrières net zo hoog kunnen zijn als de barrières die door de staat worden opgeworpen”. Nu was Brodsky een balling en het systeem dat hem inperkte en beteugelde, een dictatuur. Maar hij wijst wel op iets fundamenteels: op de beperkingen die overwonnen moeten worden in processen van communicatie en overdracht, en in algemene zin van het doorgeven van ideeën die belangrijk zijn. Zonder de salonanarchist te willen uithangen: tal van maatschappelijke, culturele of literaire situaties zijn van dien aard dat ze van systeem moeten veranderen. En vertalers zijn prominente agenten van de verandering. De vertaalwetenschap is er vervolgens om kritisch volger en beschouwer te zijn en om de creativiteit en de schrijflust van vertalers te stimuleren door het belang van vertalen telkenmale te onderstrepen. Hoe esthetiserender, hoe liever.
Ton Naaijkens is vertaler en wetenschapper. Hij is hoogleraar Duitse literatuur alsmede Vertaalwetenschap aan de universiteit Utrecht. Zijn laatste vertaling betrof twee novellen van Stefan Zweig.
Contact: a.b.m.naaijkens@uu.nl
Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2018/2.