Waarom het oude café verrassend relevant blijft in onze snelle wereld
Help, de bruine kroeg verdwijnt, kopte NRC Handelsbladbegin 2023 op de voorpagina. Hoewel precieze cijfers ontbreken, is het aantal bruine kroegen in Nederland en Vlaanderen de afgelopen decennia substantieel verminderd. Moeten we concluderen dat kleinschalige, sobere drinklokalen anachronismen zijn, die hun langste tijd hebben gehad? Die conclusie lijkt voorbarig.
Onmiskenbaar is met de komst van het massamedium internet en de populariteit van sociale netwerken de functie van de taverne als plek voor publieke opinievorming en uitwisseling van ideeën uitgehold. Wat ook onmiskenbaar is, is dat de homo digitalis mobilis het café als vaste ontmoetingsplek niet meer nodig heeft en dat hem bovendien, scrollend door de overvolle menukaart van de vermaaksindustrie, duizend-en-een mogelijkheden tot verstrooiing ter beschikking staan. Wie voorts beseft dat de schermgeneratie, bij wie het stopwoordje awkward in de mond bestorven ligt, de schrik al om het hart slaat bij een spontaan telefoontje, die begrijpt dat het vooruitzicht om spontaan en in real life door een wildvreemde aangesproken te worden op weinig enthousiasme kan rekenen. In sterk geïndividualiseerde tijden gedomineerd door een gezonde en fitte leefstijl maakt het traditionele café, die soms wat morsig aandoende drinkgelegenheid, de indruk van een fremdkörper.
Maar toch: hoe ogenschijnlijk oneigentijds ook, bruine kroegen weten de gemoederen nog altijd te beroeren. In de Amsterdamse gemeenteraad is in 2023 unaniem een voorstel aangenomen dat het bruin café van teloorgang moet behoeden door het als erfgoed te bestempelen. In dezelfde stad hebben vier dertigers zich ontfermd over De Druif, een van de oudste cafés van Amsterdam. De eigenaar gaat met pensioen, de vier mannen, die tevens stamgast zijn, kopen het café, zeggen hun baan op en stoppen hun spaargeld erin. Hun belofte aan de oud-eigenaar en de buurt: we houden het zoals het is. Wat wil zeggen dat ze het interieur ongemoeid laten, het etablissement vrij van muziek houden en, last but not least, De Druif nooit en te nimmer onderdeel van een keten zullen maken.
Dit initiatief staat niet op zichzelf en is evenmin voorbehouden aan Amsterdam. Onlangs gaf ik mijn browser de zoekopdrachten bruine kroeg en redden met ruim vierduizend resultaten. Op een Belgische site las ik over Petra en Kurt, die in 2022, aangemoedigd door plaatselijk volksverzet, hun Vlaamse dorpskroeg van de sloop wisten te redden. Een ander linkje bracht me naar Roermond, naar twee veertigers die het oudste bruin café van hun stad wilden behoeden voor een uitbater zonder gevoel voor de historie van het café en zelf het heft in handen namen. Misschien wel het meest aansprekende initiatief trof ik in het Brabantse Esbeek aan. In 2007 wist men de lokale kroeg uit de klauwen van een projectontwikkelaar te houden door er een coöperatie van te maken. De helft van het twaalfhonderd zielen tellende dorp kocht een aandeel, waarmee de eerste Nederlandse coöperatieve kroeg een feit was, aldus het verslag in het online-magazine Vice.
We doen er, kortom, verstandig aan de wereld van stamtafel en toog serieus te nemen en niet al te snel dood te verklaren. De dreigende teloorgang van de bruine kroeg zet een wil tot behoud ervan in beweging, ook bij generaties die men niet zo gauw identificeert met aan de tapkast hangende jeneverdrinkers. De Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman zou hier niet van opkijken. In ‘vloeibare tijden’, waarin het samenlevingsklimaat jachtig en veranderlijk is, sociale structuren broos zijn en het kortetermijndenken overheerst, waaieren gevoelens van vervreemding en onthechting vrijelijk uit. In vloeibare tijden wordt elk obstakel, elke vertraging of verpozing die de vooruitgang, groei of versnelling belemmert, geëlimineerd. Gevolg: een op hol geslagen samenlevingsritme bewoond door schermmensen die, op de grens van een burn-out of net daaroverheen, voortdurend van het hier en nu naar een overal en nergens gekatapulteerd worden en altijd ‘aan’ staan.
Het gebrek aan rustpunten en demarcaties trekt de zuurstof uit de samenleving en maakt kortademig, met als gevolg datveel twintigers en dertigers kampen met depressies en burn-outs.
Enter het ouderwetse café, een bezonken plek die geborgenheid, verbinding en rust biedt. Hier kun je de tijd laten verglijden, terwijl de gangbare tredmolen van het leven doordraait. Het caféleven, de omgeving waar je kunt verwijlen, vormt hiermee een tegenwicht tegen en wijkplaats voor de economisering en dus optimalisering van tijd, een benadering van tijd die geen maat kent behalve die van de acceleratie. Dat heeft een levenstempo tot gevolg waarbij de aandrang om steeds meer in minder tijd voor elkaar te krijgen, niet te stillen lijkt. Me dunkt dat hier de aantrekkingskracht en waarde van het café ligt: een vluchtheuvel waar men even halt kan houden, een plek midden in het voorbijrazende maatschappelijke verkeer waar je op adem kunt komen. De onderbreking van het gevoel opgejut te worden, de wetenschap dat er altijd een laagdrempelige plek voorhanden is waar een moment van vertraging wacht, biedt een geruststellend en dus vertroostend vooruitzicht. Je zou dit de ‘kabbelende troost’ van het caféleven kunnen noemen.
Zoals de meesten van ons wel eens hebben ondervonden, opent elke tijdelijke onderbreking van de gebruikelijke routines en ritmes, denk bijvoorbeeld aan vakantie, een horizon naar alternatieve perspectieven. In zulke situaties kan het besef dagen dat de gewone gang van zaken, de manier bijvoorbeeld waarop we ons leven hebben ingericht, niet aan een of andere natuurwet gehoorzaamt, maar evengoed heel anders had kunnen uitpakken. Dat er voor de ordening der dingen geen dwingende noodzaak bestaat, een toestand waar filosofen graag het woord contingentie voor gebruiken, is een relativerende, geruststellende en troostrijke wetenschap.
Dat brengt me tot een speculatieve overweging: zou het kunnen dat die kabbelende troost in de grond van de zaak wijst op een existentiële gewaarwording, een sluimerend besef dat het gelijkschakelen van alles en iedereen aan het rusteloze regime van commercie en altijd op stand-by staande schermmensen geen natuurwet is? Dat wat er buiten het etablissement gaande is, een product is van historische en culturele omstandigheden die evengoed anders beschikt hadden kunnen worden? En is dat misschien de reden waarom bierviltjes bij gelegenheid het canvas zijn waarop, met een paar grove pennenstreken, alternatieve realiteiten en inspirerende toekomstvisioenen verschijnen?
Natuurlijk, we mogen niet ongezegd laten dat het bekrabbelen van bierviltjes evengoed een favoriete bezigheid is van benevelde breinen waarvan het realiteitsbesef verdund is geraakt. Maar toch: het café als bron voor existentiële troost, als hoopvolle inspiratieruimte waar je ontvankelijk(er) bent voor de contingentie van het bestaan, lijkt me een gedachte die de moeite van het overwegen waard is. Ze is niet alleen een bron van hoop voor jong en oud, maar ze zou bovendien zomaar waar kunnen zijn.
Hans Schnitzler is filosoof en schrijver. Dit essay is een bewerking uit zijn boek Filosofie van de kroeg, dat in 2024 bij De Bezige Bij is verschenen.
Dit was een artikel uit Neerlandia nummer 4 van 2025.
Meer lezen?
Nog geen abonnee en wil je het tijdschrift eens op je deurmat ontvangen?