Taal

Recensie

Uit no.4,
2024

Op zoek naar de Nederlandse wortels van New York

Paul van Velthoven

Tot ver in de 20e eeuw bleef het Nederlands in de Verenigde Staten voortbestaan als vrucht van de kolonie Nieuw Nederland. Zij bestond slechts een kleine vijftig jaar, maar de gevolgen van de Nederlandse aanwezigheid waren aanzienlijk.  

Het lijkt alleen nog af te zien aan de vele uitdrukkingen, veeleer negatief dan positief, in het Amerikaanse (en ook Britse) Engels met het woord Dutch, dat er een innige relatie moet hebben bestaan tussen de Lage Landen en de bewoners van de Verenigde Staten en Engeland. En dat daardoor ook, zoals de Amerikaanse kenner van het Engels Charlton Laird stelt, de meeste leenwoorden in het Engels Nederlandse woorden zijn. Auteur en taalkundige Philip Dröge kan erover meepraten. In zijn boek De Tawl, zoals inheemse Hollanders hun Nederlands noemden, beschrijft hij op originele en amusante wijze de taalkundige ontdekkingen die hij fietsend door het voormalige Nieuw Nederland deed. Dat gebied omvatte niet slechts Manhattan, waar Hollandse zeelui in 1625 voet aan wal zetten, maar ook uitgestrekte gebieden daaromheen die nu tot de vijf Amerikaanse staten New York, New Jersey, Pennsylvania, Connecticut en Delaware behoren. Daar stichtten de Hollanders in de 17e en 18e eeuw dorpjes, bouwden ze kerken en boerderijen (en verdreven ze de indianen). In deze buitengebieden, soms ook New York en enkele andere steden, treft Dröge de sporen aan van de ooit zo sterke Nederlandse aanwezigheid.  Zoals de van 1730 daterende en van Nederlandse teksten voorziene grafstenen bij de hervormde kerk in de New Yorkse wijk Flatlands. Maar ze zijn vooral merkbaar aan de soms verbasterde plaatsnamen in de wijde omtrek van New York en namen van personen die vaak grote invloed hadden in politiek en zakenleven: Vanderbilt, Schuyler, De Witt, Van Rensselaer. Kinderhook is zo’n plaatsnaam. Daar kwam Martin van Buren vandaan, die het Nederlands als moedertaal had, begin 19e eeuw Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken en later de achtste president van het land was. Hij werd in de pers naar zijn plek van herkomst OK (Old Kinderhook) genoemd. Wellicht vanwege zijn optreden begon de internationale zegetocht van OK, okay, oké … Hermanus Bleecker, een vriend van Van Buren, schreef voor zijn geliefde Nederlandse gedichten en maakte als Amerikaans ambassadeur indruk op koning Willem I, omdat hij het Nederlands beter beheerst zou hebben dan de koning zelf.  

Engelse minderheid 

In Nieuw Nederland veranderde er taalkundig dus weinig toen de kolonie in 1673 met het verdrag van Westminster definitief in Engelse handen kwam. Toen zouden er volgens de Amerikaanse historicus Russell Shorto (Nieuw Amsterdam: Eiland in het hart van de wereld, 2004) in de kolonie (onder het beheer van de West-Indische Compagnie) minstens achttien talen zijn gesproken door de toevloed van zoveel verschillende buitenlanders. De Engelsen hadden er toen ze het bestuur van de stad overnamen, bepaald geen belang bij de expansie van Nieuw Amsterdam te dwarsbomen. Onder zijn laatste Nederlandse gouverneur, Peter Stuyvesant, was de stad tot een belangrijke en goed gereguleerde handelsplaats uitgegroeid, die wijd en zijd nieuw volk aantrok. In de stad, die officieel New York ging heten, zouden de Engelsen nog lang een kleine minderheid uitmaken. Veelzeggend is dat de Engelsen pas in 1730, bijna vijftig jaar nadat zij de kolonie hadden overgenomen, het Engels verplicht stelden in de rechtspraak. Slechts geleidelijk keerden de kansen ten gunste van het Engels. In de lange eeuw waarin de dertien Amerikaanse kolonies onder Engels gezag stonden, verdween langzaam uit zicht dat New York en omstreken Hollandse wortels hadden. De Engelse nadruk op de eigen aanwezigheid en rol in de ontwikkeling van het gebied waren daar niet vreemd aan. Er veranderde aanvankelijk weinig in taalkundig opzicht, toen men zich in Massachusetts begon te keren tegen het Engelse gezag, wat leidde tot de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. Dröge wijst op Amerika’s eerste president, Washington, die nog vertrouwde op zijn loyal Dutch belt om verkozen te worden. Van wettelijke taaldwang was er nooit sprake, de overgang naar het Engels geschiedde kruipenderwijs. Terwijl de ouderen de taal in ere hielden, schakelden hun kinderen op het Engels over. Pas in de 19e eeuw, toen de Amerikanen zich voor de taak gesteld zagen om een natie te vormen, werd de behoefte en druk om het Engels te omhelzen, sterker. Daarom ging wie zich niet wilde aanpassen zich in landelijke gebieden nestelen, waar de tawl het langst zou overleven.  

Afbeelding
kaart van Nieuw-Amsterdam ten tijde van de overdracht aan de Engelsen
Nieuw-Amsterdam ten tijde van de overdracht aan de Engelsen Hugo Allard, Totius Neobelgii Nova et Accuratissima Tabula (detail), Amsterdam, 1674 | Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieu w-Amsterdam_(Nieuw-Nederland)

Vernieuwing en neergang  

In de 19e eeuw maakte het verleden plaats voor modernisering. Het meest sprekende voorbeeld dat Dröge opvoert, is Albany, vernoemd naar een Engelse hertog. Oorspronkelijk heette deze meest noordelijk gelegen stad van Nieuw Nederland Beverwijck. Van een fort voorzien kon de plaats in de Hollandse tijd uitgroeien tot een van de grootste en oudste Nederlandstalige gemeenschappen. Ze werd tot administratief centrum opgewaardeerd en nu botste een oude bevolking met de aanzwellende stroom emigranten, die een nieuw bestaan in Amerika wilden opbouwen. Tekenend was de pijpenstrijd in Albany. De autochtonen wilden regenwater afvoeren met waterspuwers, zoals in de Hollandse steden, de inwijkelingen daarentegen met regenpijpen. De nieuwelingen wonnen het pleit en veel ouderen trokken met hun taal weg naar rustiger gebieden. Het ouderwetse stadje Beverwijck was eerder al geteisterd door branden, waardoor de oude bebouwing verloren ging. In de jaren vijftig zorgde de gouverneur, Nelson Rockenfeller, voor een zielloze modernisering. Dankzij stadsarcheoloog Paul Huey kreeg Albany zicht op de oorspronkelijke stad. Onder asfalt en beton lag een stad die vergeleken kon worden met Haarlem. De aangetroffen gebruiksvoorwerpen werden ook in het 17e-eeuwse Haarlem gebruikt. De bewoners bleken dus in nauw contact te staan met het moederland. Huey was een pionier. Hij doorbrak de desinteresse van zijn Amerikaanse collega-historici, die de geschiedenis van Nieuw-Nederland altijd rommelig en onbelangrijk hadden gevonden. Huey kon teren op het werk van germanist Charles Gehring, die sinds de jaren zeventig in Albany op het New Netherlands Institute van de universiteit van New York de vele duizenden documenten vertaalde die tientallen jaren tussen de kolonisten en de regenten in Amsterdam waren uitgewisseld. Het is een wonder dat deze documenten tijdens het Engelse bestuur hun tocht door allerlei verblijfplaatsen hebben overleefd. Inmiddels zijn ze nationaal erfgoed en vragen ze om een nieuwe kijk op hoe het moderne Amerika is ontstaan.  

Dröge zelf heeft gedetailleerd het einde van de tawl beschreven. Hij verwijst naar de groeiende hoeveelheid literatuur over dit Nederlands in Amerika. Naarmate het aantal sprekers van de tawl afnam, groeide de belangstelling in de eerste decennia van de 20e eeuw tot buitensporige hoogte. Franklin Delano Roosevelt legde in 1933 de eed af op met zijn hand op de Zeeuwse (Staten?)bijbel uit 1685. Na de oorlog zwakte die belangstelling weer af. John Storms uit Pascack, een dorp in New Jersey vlak over de grens met New York, die in 1962 op 92-jarige leeftijd overleed, was naar eigen zeggen de laatste die de tawl sprak. Hij en zijn broer James waren journalisten. Zij hadden die taal van hun grootouders geleerd en deden vergeefse pogingen om haar voor het nageslacht vast te leggen. Had de taal kunnen overleven zoals dat gold voor het Duits? De Nederlandstaligen waren daarvoor volgens Dröge veel te individualistisch. Een troost: het erfgoed dat de Hollanders met hun succesvolle multiculturele kolonie achterlieten, is pas sinds kort voor echte bestudering beschikbaar. Dat bepaalde het lot van Amerika zelf. We zullen er daarom de komende tijd nog vaak over horen. 

Philip Dröge won met De Tawl de Taalboekenprijs 2024.

Paul van Velthoven was o.a. Nederlands correspondent bij Le Monde en De Standaard. Hij is lid van de redactie van Neerlandia.


Dit was een recensie uit Neerlandia nummer 4 van 2024.

Meer lezen?

Nog geen abonnee en wil je het tijdschrift eens op je deurmat ontvangen?

Bestel een proefabonnement


Lees ook
Afbeelding
Foto van vier pamfletten over de moord op de gebroeders De Witt
Cultuur
Artikel
Uit no.3,
2023
Ton Broos

DIGITALISERING NEDERLANDSE PAMFLETTEN IN AMERIKA

Afbeelding
Messingplaat van grote vignette op de klok van de Antillen naar een ontwerp van Genia van der Grinten-Lücker
Muziek
Artikel
Uit no.2,
2018
Diederik Oostdijk

BUITENLANDSE RELATIES

Afbeelding
Omslag boek vertalen in de Nederlanden, een cultuurgeschiedenis
Taal
Recensie
Uit no.4,
2022
Ludo Beheydt

VERTALEN IN DE NEDERLANDEN