De culturele betekenis van de Nederlandse walvisvaart
Anno 2026 denken we bij walvisvaart in de eerste plaats aan landen als Japan, Groenland, Noorwegen en Rusland, waar de vangst op deze grote zeezoogdieren altijd nog deel van de cultuur uitmaakt. Maar ook Nederland was vanaf de middeleeuwen tot nog niet zo heel lang geleden een walvisvarende natie.
“Wij wonen in een land druipende van walvistraan, vloeiende van melk en boter.” Dat schreven Betje Wolff en Aagje Deken op 6 februari 1779 aan Jan Everhard Grave, suikerfabrikant en dichter te Amsterdam. De brief ging vergezeld van een snoeperig cadeau: een pond chocola. De twee vrouwen hadden elkaar twee en een half jaar eerder in Graves huis aan de Lauriergracht ontmoet en waren nog geen jaar later gaan samenwonen in de Rechtestraat in De Rijp, een Noord-Hollands dorp dat leefde van de walvisvaart. Walvistraan, melk, boter en chocolade: in de ogen van de 18e-eeuwse dames waren dit de symbolen van Hollands welvaren.
Wat de twee schrijfsters niet vermeldden, is de stankoverlast die de walvisvaart in hun leefomgeving moet hebben veroorzaakt. De traankokerijen, waarin het aangevoerde walvisspek tot vloeibare traan werd gekookt, werden in de volksmond stinckeryen genoemd.
Traan, balein, botten
Traan is de vettige vloeistof die ontstaat bij het koken van de dikke speklaag, die warmbloedige walvissen bezitten om in het koude zeewater op temperatuur te blijven. Omdat de West-Europese bevolking in de 16e eeuw danig in omvang toenam, nam de behoefte aan vetten toe. Steeds meer landbouwareaal was nodig voor graan. Daardoor steeg de prijs van de olie die werd gewonnen uit het zaad van planten als raap, lijn, kool en hennep. Dat zorgde voor een economische prikkel om dierlijke vetten als die van walrussen, zeehonden en walvissen te gaan winnen. Van de traan werden kaarsen en zeep vervaardigd. Ook deed traan dienst in leerlooierijen om het leer zacht te maken. Bij het spinnen van wol werd de traan genomen om de draden zacht en soepel te maken. Uit de walvisbotten werd de zogenaamde knookolie gewonnen, een geliefd geneesmiddel tegen reumatiek.
Het balein, het elastische en tegelijk stevige materiaal van de baarden, waarmee de walvis het plankton uit het water zeeft, deed goede diensten bij het fabriceren van schilderijlijsten, meetroeden, wandelstokken, zweepstokken, breinaalden, manden, kragen, hoepelrokken, korsetten en parasols. Ook de beenderen werden meegenomen en gebruikt, bijvoorbeeld als schuurpalen, hekken, versterking van greppels, palen om touwen van trekschuiten langs te leiden, palen bij touwslagerijen en zitbanken. De schouderbladen dienden als stoepstenen en uithangborden.
De ‘juiste’ walvis
In de tijd van Betje Wolff en Aagje Deken was de walvisvaart al meer dan anderhalve eeuw een bedrijfstak van groot economisch belang. Bijna driehonderd jaar lang, van het begin van de 16e eeuw tot het einde van de 19e eeuw, zijn Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden gevaren. In de Arctische wateren leefde de Groenlandse walvis, een langzaam zwemmende walvis met een speklaag van wel zestig centimeter dik. Als enige zinkt deze soort na de dood niet naar de zeebodem, maar blijft op het water drijven. Een ideaal dier om jacht op te maken, reden waarom hij in het Engels de right whale werd genoemd, de ‘juiste walvis’.
Middeleeuwse walvisvangst
Uit recent onderzoek (weergegeven door Nikolas Jaspert in zijn imponerende studie Fischer, Perle, Walrosszahn: Das Meer im Mittelalter, 2025) is gebleken dat al in de middeleeuwen ook dichter bij huis op grote schaal jacht werd gemaakt op andere soorten walvissen. Op vastendagen werd het vlees van deze ‘vis’ met graagte geconsumeerd. Opgravingen hebben in Europese kustgebieden dan ook grote hoeveelheden walvisbotten aan het licht gebracht. In de 13e eeuw verbleef de universele geleerde Albertus Magnus in zijn functie als provinciaal overste van de Duitse dominicanen in onze contreien. In Vlaanderen, Utrecht en Zwolle sprak hij met vissers, zeelieden en andere kustbewoners. Ook vertelt hij hoe in Friesland uit een gestrande walvis grote hoeveelheden traan worden gewonnen. Die was volgens hem aangespoeld omdat hij zich tijdens het achtervolgen van haringen te dicht bij de kust had gewaagd.
Albertus Magnus beschrijft als een van de eerste auteurs ook de walvisjacht zoals die in de middeleeuwen vanaf de kusten van de Lage Landen al systematisch moet zijn bedreven: kleine sloepen worden bemand met twee roeiers en een jager, die een harpoen met een weerhaak draagt. Als de harpoen doel treft, kunnen de jagers wachten tot het dier verzwakt weer opduikt en het dan met lansen doden.
Noordsche Compagnie
De walvisvangst in Arctische wateren kwam in het begin van de 17e eeuw op gang nadat ontdekkingsreizigers die op zoek waren naar een noordelijke handelsroute naar Azië, in groten getale walvissen hadden waargenomen. Zo vond ontdekkingsreiziger Jan Huyghen van Linschoten in 1595 op het Noord-Russische eiland Vajgatsj een enorme walviskaak. Die deed hij bij het sluiten van zijn tweede huwelijk cadeau aan zijn geboortestad Haarlem – waar hij tot op de dag van vandaag in het stadhuis hangt. Linschoten beschrijft ook hoe in 1594 een Nederlandse expeditie in het mondingsgebied van de Petjora al improviserend een kleine walvis bemachtigde. Hij meende profetisch: “Wanneer men zich erop zou toeleggen en er het goede gereedschap voor zou hebben, is er hier vast en zeker een goede tak van visserij te beoefenen.”
Onder regie van de Noordsche Compagnie, een kartel van een aantal reders, in 1614 opgericht naar het model van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en ook door de Staten-Generaal met ee