Cultuur

Artikel

Uit no.4,
2025

"Een land druipende van walvistraan"

Hans Beelen

De culturele betekenis van de Nederlandse walvisvaart

Anno 2026 denken we bij walvisvaart in de eerste plaats aan landen als Japan, Groenland, Noorwegen en Rusland, waar de vangst op deze grote zeezoogdieren altijd nog deel van de cultuur uitmaakt. Maar ook Nederland was vanaf de middeleeuwen tot nog niet zo heel lang geleden een walvisvarende natie.

Afbeelding
Zeelieden bij het afspekken van een walvis
Zeelieden bij het afspekken of flensen van een walvis. Zichtbaar zijn de flensmessen en de aan de schoenen bevestigde speksporen. De zeedieren eromheen zijn zwarte zeeduivel, smelt, haring en garnaal. | tekening Scheepvaartmuseum Amsterdam

“Wij wonen in een land druipende van walvistraan, vloeiende van melk en boter.” Dat schreven Betje Wolff en Aagje Deken op 6 februari 1779 aan Jan Everhard Grave, suikerfabrikant en dichter te Amsterdam. De brief ging vergezeld van een snoeperig cadeau: een pond chocola. De twee vrouwen hadden elkaar twee en een half jaar eerder in Graves huis aan de Lauriergracht ontmoet en waren nog geen jaar later gaan samenwonen in de Rechtestraat in De Rijp, een Noord-Hollands dorp dat leefde van de walvisvaart. Walvistraan, melk, boter en chocolade: in de ogen van de 18e-eeuwse dames waren dit de symbolen van Hollands welvaren.

Wat de twee schrijfsters niet vermeldden, is de stankoverlast die de walvisvaart in hun leefomgeving moet hebben veroorzaakt. De traankokerijen, waarin het aangevoerde walvisspek tot vloeibare traan werd gekookt, werden in de volksmond stinckeryen genoemd.

Traan, balein, botten

Traan is de vettige vloeistof die ontstaat bij het koken van de dikke speklaag, die warmbloedige walvissen bezitten om in het koude zeewater op temperatuur te blijven. Omdat de West-Europese bevolking in de 16e eeuw danig in omvang toenam, nam de behoefte aan vetten toe. Steeds meer landbouwareaal was nodig voor graan. Daardoor steeg de prijs van de olie die werd gewonnen uit het zaad van planten als raap, lijn, kool en hennep. Dat zorgde voor een economische prikkel om dierlijke vetten als die van walrussen, zeehonden en walvissen te gaan winnen. Van de traan werden kaarsen en zeep vervaardigd. Ook deed traan dienst in leerlooierijen om het leer zacht te maken. Bij het spinnen van wol werd de traan genomen om de draden zacht en soepel te maken. Uit de walvisbotten werd de zogenaamde knookolie gewonnen, een geliefd geneesmiddel tegen reumatiek.

Uit de walvisbotten werd de zogenaamde knookolie gewonnen, een geliefd geneesmiddel tegen reumatiek.

Het balein, het elastische en tegelijk stevige materiaal van de baarden, waarmee de walvis het plankton uit het water zeeft, deed goede diensten bij het fabriceren van schilderijlijsten, meetroeden, wandelstokken, zweepstokken, breinaalden, manden, kragen, hoepelrokken, korsetten en parasols. Ook de beenderen werden meegenomen en gebruikt, bijvoorbeeld als schuurpalen, hekken, versterking van greppels, palen om touwen van trekschuiten langs te leiden, palen bij touwslagerijen en zitbanken. De schouderbladen dienden als stoepstenen en uithangborden.

De ‘juiste’ walvis

In de tijd van Betje Wolff en Aagje Deken was de walvisvaart al meer dan anderhalve eeuw een bedrijfstak van groot economisch belang. Bijna driehonderd jaar lang, van het begin van de 16e eeuw tot het einde van de 19e eeuw, zijn Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden gevaren. In de Arctische wateren leefde de Groenlandse walvis, een langzaam zwemmende walvis met een speklaag van wel zestig centimeter dik. Als enige zinkt deze soort na de dood niet naar de zeebodem, maar blijft op het water drijven. Een ideaal dier om jacht op te maken, reden waarom hij in het Engels de right whale werd genoemd, de ‘juiste walvis’. 

Afbeelding
Een tekening met drie walvissen
Groenlandse walvis (A), noordkaper (B), vinvis (C) met walvisluis (D), krill (E), harpoen (F) en lans (G) | gravure naar tekening van chirurgijn Friederich Martens, uit: De Noordsche Weereld, Amsterdam, 1685

Middeleeuwse walvisvangst

Uit recent onderzoek (weergegeven door Nikolas Jaspert in zijn imponerende studie Fischer, Perle, Walrosszahn: Das Meer im Mittelalter, 2025) is gebleken dat al in de middeleeuwen ook dichter bij huis op grote schaal jacht werd gemaakt op andere soorten walvissen. Op vastendagen werd het vlees van deze ‘vis’ met graagte geconsumeerd. Opgravingen hebben in Europese kustgebieden dan ook grote hoeveelheden walvisbotten aan het licht gebracht. In de 13e eeuw verbleef de universele geleerde Albertus Magnus in zijn functie als provinciaal overste van de Duitse dominicanen in onze contreien. In Vlaanderen, Utrecht en Zwolle sprak hij met vissers, zeelieden en andere kustbewoners. Ook vertelt hij hoe in Friesland uit een gestrande walvis grote hoeveelheden traan worden gewonnen. Die was volgens hem aangespoeld omdat hij zich tijdens het achtervolgen van haringen te dicht bij de kust had gewaagd.

Op vastendagen werd het vlees van deze ‘vis’ met graagte geconsumeerd

Albertus Magnus beschrijft als een van de eerste auteurs ook de walvisjacht zoals die in de middeleeuwen vanaf de kusten van de Lage Landen al systematisch moet zijn bedreven: kleine sloepen worden bemand met twee roeiers en een jager, die een harpoen met een weerhaak draagt. Als de harpoen doel treft, kunnen de jagers wachten tot het dier verzwakt weer opduikt en het dan met lansen doden.

Noordsche Compagnie

De walvisvangst in Arctische wateren kwam in het begin van de 17e eeuw op gang nadat ontdekkingsreizigers die op zoek waren naar een noordelijke handelsroute naar Azië, in groten getale walvissen hadden waargenomen. Zo vond ontdekkingsreiziger Jan Huyghen van Linschoten in 1595 op het Noord-Russische eiland Vajgatsj een enorme walviskaak. Die deed hij bij het sluiten van zijn tweede huwelijk cadeau aan zijn geboortestad Haarlem – waar hij tot op de dag van vandaag in het stadhuis hangt. Linschoten beschrijft ook hoe in 1594 een Nederlandse expeditie in het mondingsgebied van de Petjora al improviserend een kleine walvis bemachtigde. Hij meende profetisch: “Wanneer men zich erop zou toeleggen en er het goede gereedschap voor zou hebben, is er hier vast en zeker een goede tak van visserij te beoefenen.”

Onder regie van de Noordsche Compagnie, een kartel van een aantal reders, in 1614 opgericht naar het model van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en ook door de Staten-Generaal met een monopolie uitgerust, komt de walvisvangst op gang. De belangrijkste vangstgebieden lagen bij de pas door de Nederlanders ontdekte eilanden Spitsbergen en Jan Mayen. Op kleine landstations, waarvan er een de sprekende naam Smeerenburg ontving, werd het spek tot traan gekookt. De walvisvaart was een bedrijf dat in de zomer werd uitgeoefend. In de nederzettingen, die alleen in de korte zomer werden bewoond, werden de gevangen dieren verwerkt: met grote messen werden ze ontdaan van de dikke speklaag, die ter plekke tot traan werd gekookt. Die werd ingekuipt en in fluitschepen naar Nederland getransporteerd.

Lepelblad en scheurbuik

Nadat in 1632 Baskische walvisvaarders de pakhuizen van de Noordsche Compagnie op Jan Mayen hadden geplunderd, besloten de bewindhebbers overwinteringen te organiseren op Spitsbergen en Jan Mayen. De opdracht van de twee ploegen van zeven mensen was nauwkeurig bij te houden hoe de weersomstandigheden waren en wat er gebeurde alsmede de nederzettingen te beschermen tegen eventuele indringers. Doel van de proefneming was tevens te kijken of permanente bewoning mogelijk was; die zou een aanzienlijke besparing van de reistijd en daarmee een verlenging van het vangstseizoen mogelijk maken.

De overwintering op Jan Mayen liep slecht af. Door scheurbuik kwamen alle zeven overwinteraars te overlijden voordat de schepen in het voorjaar terugkeerden. De eerste overwintering op Spitsbergen verliep voorspoedig, omdat de manschappen veel lepelblad konden verzamelen. Het plantje kon gevriesdroogd worden bewaard, werd als salaet genuttigd en vormde vanwege het hoge vitamine C-gehalte een probaat middel tegen de gevreesde ziekte. Aangemoedigd door dit succes besloot de Noordsche Compagnie tot een tweede overwintering in 1634-1635, die echter niet succesvol was. De zeven overwinteraars werden bij terugkomst van de schepen ineengekrompen door de pijn en kou aangetroffen. Ze werden niet ver van Smeerenburg begraven (de graven zijn in 1980 tijdens opgravingen bij toeval teruggevonden). Na deze mislukking zijn de pogingen tot overwintering gestaakt. De journalen die door de overwinteraars zijn bijgehouden, zijn bewaard gebleven en al in de 17e eeuw in verschillende uitgaven in druk verschenen. De lectuur is nog steeds dramatisch.

Afbeelding
Schip Wilhelmina dat ondergaat tussen ijsbergen
Ondergang van de Wilhelmina voor de kust van Oost-Groenland, oktober 1777 | gravure

Klimaatverandering

Het monopolie dat de Noordsche Compagnie bezat, werd na 1642 niet meer verlengd. Vanaf dat moment ontwikkelde de walvisvaart zich tot een vrij bedrijf, waaraan steeds meer reders en zeelieden deelnamen. Daardoor nam de jachtdruk toe en was er sprake van overbevissing. Tegelijk met deze liberalisering was er sprake van een uitbreiding van het vangstgebied. Rond 1640 verslechterde door een mini-ijstijd het klimaat: er brak een koudere periode aan, waardoor het vangst- en verwerkingsseizoen korter duurde. Door verandering van de zeestromen kwam er minder dierlijk plankton voor in de fjorden van Spitsbergen. De walvissen zochten hun voedsel nu elders en moesten verder uit de kust op zee worden bejaagd. De jacht verplaatste zich naar een uitgestrekt gebied langs de rand van het poolijs tussen Spitsbergen, Jan Mayen en Oost-Groenland, en vond plaats op volle zee tussen drijvende schotsen. De vangst met sloepen was daar niet eenvoudig. Ook dreigden de schepen voortdurend te worden ingesloten en verbrijzeld door het bewegende pakijs.

Val! Val!

Tegen het einde van de 17e eeuw kwam een nieuw scheepstype op: het bootschip. Het beschikte over een breder dek met meer werkruimte dan de tot dan toe gebruikelijke fluitschepen. De romp en de voorsteven waren versterkt om beter bestand te zijn tegen het ijs. Aan de zijkanten waren de vangsloepen opgehangen, die op het commando Val! Val! te water werden gelaten zodra er een walvis in zicht kwam. De buitgemaakte dieren werden nu niet meer in het vangstgebied tot traan gekookt, maar langszij afgespekt. Het aan boord kleingesneden spek werd in vaten gedaan en in het ruim mee naar huis getransporteerd om pas daar tot traan te worden verwerkt.

De bloei van deze tijd (alleen al in de periode 1660-1683 steeg het aantal Nederlandse walvisvaartschepen van honderd naar meer dan tweehonderd, het aantal werknemers van tweeduizend naar tienduizend) zorgde ook voor welstand in economische branches die eng met de visserij verstrengeld waren: houthandel, houtzagerij, scheepsbouw, olieslagerij. De Zaanstreek ontwikkelde zich in deze tijd tot een van de vroegste industriegebieden van West-Europa.

IJselijk gevaarlijk

In de 18e eeuw werd het vangstgebied nog verder uitgebreid tot westelijk van Groenland. De reis naar Straat Davis, de zee-engte tussen Groenland en het Noord-Amerikaans continent, duurde langer, maar de walvissen waren er groter en hadden meer spek. Hier kwamen de walvisvaarders in contact met de Groenlandse bevolking.

Afbeelding
Het verongelukte galjootschip Harlingen in het ijs in Straat Davis
Het verongelukte galjootschip Harlingen in het ijs in Straat Davis, 1826 | schilderij door Herman Siderius (1819-1892), ca. 1850

Met name in de koude klimaatperiodes vóór 1720 en na 1750 vormde het drijfijs een groot gevaar, waardoor veel schepen vergingen. In de winter van het rampjaar 1777-1778 raakten veertien schepen voor de kust van Oost-Groenland in moeilijkheden. Door het ijs ‘bezet’ werden ze bij lang aanhoudende noordoostenwind maandenlang door de Oost-Groenlandstroom naar het zuiden gedreven, waarbij ze voortdurend dreigden te worden verbrijzeld door het sterk kruiende ijs. Als de schepen in het ijs vergingen, zochten de manschappen andere schepen op, die hen volgens de afspraken die er bestonden, het zgn. Groenlandse recht, aan boord namen. Toen ook de laatste schepen vergingen, moest men proberen over het drijfijs het vaste land te bereiken. Tijdens deze barre tocht verdronken en bevroren honderden zeelieden. Degenen die de kust bereikten, werden opgevangen door de plaatselijke Inuitbevolking en moesten in Groenland overwinteren, waarna ze soms pas in september van het jaar daarna weer naar huis konden terugkeren. Zo’n negentien reisverslagen, waarvan acht in het Nederlands, geven een beeld van de dramatische gebeurtenissen.

Door zulke calamiteiten waren de vangstresultaten onzeker.

Door zulke calamiteiten waren de vangstresultaten onzeker. In deze tijd nam de concurrentie met het buitenland toe en oorlogen zorgden voor veel onrust, waardoor het aantal walvisvaarders daalde. Ondanks pogingen tot heropleving door middel van premies en overheidssubsidie kwam in de 19e eeuw een definitief einde aan de Nederlandse Arctische walvisvaart. De jacht op potvissen en baleinwalvissen in zuidelijke wateren, zoals we die kennen uit Herman Melvilles roman Moby Dick (1851), werd gedomineerd door de Amerikanen en kwam in Nederland met slechts zes expedities tussen 1827 en 1845 niet echt van de grond.

Antarctische walvisvangst

Evenals de walvisvaart in het Noordpoolgebied is die in het Zuidpoolgebied uiteindelijk stopgezet door overbevissing en tegenvallende winst.

De walvisvaart demonstreert de verkwistende omgang van de mens met de natuur, gestuurd door economische belangen, geopolitieke verwikkelingen en klimaatveranderingen. Tegelijk blijft de geschiedenis van deze bedrijfstak een onontkoombaar deel van het verleden van de Lage Landen. Reisbeschrijvingen en uit permafrost opgegraven voorwerpen zijn lang niet de enige getuigenissen van dit fascinerende verhaal.

Hans Beelen doceerde van 1987 tot 2025 Nederlandse taal en cultuur aan de Carl von Ossietzky Universität Oldenburg (Duitsland). In 2018 bracht hij samen met Ingrid Biesheuvel Walvissen groot en vet uit, een bloemlezing van contemporaine authentieke getuigenissen rond de Arctische walvisvaart.


Dit was een artikel uit Neerlandia nummer 4 van 2025.

Meer lezen?

Nieuwsgierig naar Neerlandia en wil je eens een nummer op je deurmat ontvangen?

Bestel een proefabonnement


Lees ook
Afbeelding
Schilderij met episodes uit de moord op de gebroeders De Witt van Pieter Frits
Geschiedenis
Artikel
Uit no.3,
2022
Anne Doedens

Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos

Afbeelding
middeleeuwse afbeelding met tekst over een betalingsherinnering
Cultuur
Artikel
Uit no.4,
2021
Kees Teszelsky

MEDIEVAL MEMES

Afbeelding
Foto van vier pamfletten over de moord op de gebroeders De Witt
Cultuur
Artikel
Uit no.3,
2023
Ton Broos

DIGITALISERING NEDERLANDSE PAMFLETTEN IN AMERIKA