De vertaalgeschiedenis slaat een bres

Ludo Beheydt

De Taalboekenprijs 2022, de prijs die het “boek dat bedoeld is voor een breed publiek, en dat oorspronkelijk, goed geschreven en taalkundig relevant is” wil bekronen, is toegekend aan Vertalen in de Nederlanden: Een cultuurgeschiedenis, omdat – volgens de jury – in “een indrukwekkende geschiedschrijving […] een boeiend en veelzijdig beeld wordt geschetst van de rijke vertaalcultuur in de Nederlanden”. Wat is er zo boeiend en veelzijdig aan deze bundel?

Taalboekenprijswinnaar Ton Naaijkens (rechts) ontvangt de oorkonde uit handen van juryvoorzitter Ton den Boon I Foto Bart Versteeg

Om te beginnen is deze vijfdelige bundel van de hand van vijf vooraanstaande vertaalkundigen het eerste complete historische overzichtswerk van de vertaalpraktijk in de Nederlanden van de middeleeuwen tot vandaag. De vertaalkundigen nemen elk, met een eigen insteek, een periode voor hun rekening. De periodisering van de hele vertaalhistorie volgt ruwweg de periodisering van de cultuurgeschiedenis van de Nederlanden zoals we die ook al kennen van de reeks Nederlandse cultuur in Europese context.

Vertaalgeschiedenis

De eerste periode beslaat de middeleeuwen tot 1550 en is van de hand van Dirk Schoenaers. De tekst van Schoenaers is doorwrocht. Hij mengt met opvallend stilistisch gemak gedetailleerde documentaire verhalen over de vertaalpraktijk van zulke verschillende ‘advocaten van de volkstaal’ als de poëtische Heinric van Veldeke, de waarheidlievende Jacob van Maerlant en de belerende Jan van Boendale, met een breed gecommentarieerd en gedateerd overzicht van de literaire teksten en gespecialiseerde ambtelijke, historiografische, wetenschappelijke en religieuze vertalingen. De periode 1550-1700 vat Theo Hermans op zijn beurt samen onder de titel De wereld binnen taalbereik. En dat is inderdaad wat de vertalingen doen in deze periode: de oude en de nieuwe wereld via taal voor een breder publiek openstellen. Dat documenteert Hermans voortreffelijk, met oog voor de humanistische, maar ook de economische context die aanleiding gaven tot een opbloeiend vertaalbedrijf. Dat vertaalbedrijf staat ook centraal in het verhaal van Inger Leemans over de 18e eeuw, dat terecht de titel De vertaalmachine meekrijgt, want werd de bloei in de 17e eeuw nog verwelkomd, in de 18e eeuw leidt hij tot een klaagkoor over ‘de grote vertaalfabriek’, die de beperkte Nederlandstalige productie dreigt te versmachten in een overproductie vertalingen, vaak ook van Duitse herkomst nu. Deel vier, van Cees Koster, laat ons een 19e eeuw zien van Democratisering en emancipatie, maar ook een eeuw van uiteenlopende politieke, culturele en literaire ontwikkelingen in het noorden en het zuiden van het taalgebied, die zich ook in de vertalingen manifesteren. De veranderde smaak van de in toenemende mate geletterde bevolking stuurde het vertaalbedrijf bij en de politieke splitsing in 1830 leidde tot een aparte emancipatie van de vertaalcultuur.

Ook al was de romantische dichter Willem Bilderdijk een begaafd en productief vertaler, toch vond hij “Die d’echten smaak en geur wil proeven, / Drink’ uit de oorspronkelijke flesch!”. Willem Bilderdijk (1756-1831), geschilderd door Charles Howard Hodges (1764-1837), 1810 | Rijksmuseum, Amsterdam

In Nederland waren Burgerdijks Shakespearevertalingen en Vosmaers Homerusvertaling monumenten in die emancipatie, in Vlaanderen was Gezelles vertaling van Longfellow een stapsteen in de emancipatie “zonder te veel hersendwang” van een “middelbaar geleerd Vlaming”. Wat volgt daarna? In het vijfde deel gaat Ton Naaijkens vooral in op de impact van vertalers in het culturele veld en de toenemende zelfbewuste profilering van de vertaler die respect opeist voor zijn dubbelrol als mediator en als creatief auteur. Die profilering leidt uiteraard tot debat en conflict omtrent de rol van de vertaler en zijn of haar vaak eigengereide normen en regels. Naaijkens geeft daar een rijkelijk gedocumenteerde staalkaart van door overvloedig te citeren uit de polemische geschriften en door in kaderteksten het debat een live platform te geven. Dat levert levendige tekst op, maar ook beter inzicht in de vertaalproblematiek.

Vertaalopvattingen

Die vertaalproblematiek komt in alle delen ruim aan haar trekken. Een constante in de discussie over de goede vertaling, die in het boek telkens weer opduikt, is de vraag wat het beste is: de trouwe letterlijke vertaling of de mooie, minder trouwe parafrase. Al van bij het prille begin van de vertaaltraditie was dat een dilemma. De Antwerpse stadsklerk Jan van Boendale (actief ca. 1316 – ca. 1351) stond erop dat een vertaling geen oert ‘haarbreed’ afweek van de originele verwoording. De dichter Heinric van Veldeke (1196) daartegenover vond dat naar waarheid vertalen niet betekende letterlijk vertalen. In de vroegmoderne periode was die discussie nog niet beslecht, want ook toen nog was er “een breed gamma, dat zich uitstrekte van vertalingen die zich vastzogen aan de vreemde tekst tot bewerkingen en adaptaties losgezongen van hun anderstalige herkomst”, zoals Hermans constateert. Natuurlijk is de discussie daaromtrent niet zwart-wit te beslechten: dat Bijbelteksten, ambtelijke stukken en wetenschappelijke artikelen een letterlijker weergave vergen dan fictionele verhalen, ligt voor de hand. Maar het is nog steeds een discussiepunt of fictionele belles infidèles,zoals Georges Mounin (1955) vertalingen noemde die om te behagen en te conformeren aan de smaak van de tijd door vertalers naar goeddunken opgesmukt worden, beter geapprecieerd worden. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de vrije Shakespearevertalingen van Hugo Claus en Tom Lanoye niet op onverdeeld enthousiasme konden rekenen van een erkend Shakespearevertaler als Willy Courteaux. Die liet zich ontvallen: “Claus heeft Shakespeare niet vertaald. Hij heeft het in een soort keukenmeidenvlaams omgezet.”

De vertaling van Shakespeares Hamlet van Henkes en Bindervoet in de reeks Klassiek geïllustreerd (2000) werd als een ‘innemende mislukking’ onthaald. Bron: comicstripshop.com

Nu is onenigheid over vertalingen kennelijk van alle tijden. Of het nu gaat om Bijbelvertalingen, vertalingen van Chaucer, vertalingen van Dante, vertalingen van Baudelaire, altijd weer is er stennis en de gemoederen lopen daarbij soms heel hoog op. Daar krijgen we een goed idee van in het verhaal van de vijf vertalingen van Dantes Divina Comedia, maar ook in de kadertekst over de ‘Baudelaire-rel’ rond de nagenoeg gelijktijdige integrale vertalingen van Les fleurs du mal. De twee vertalers, Petrus Hoosemans en Peter Verstegen, belandden in een pijnlijk moddergevecht, dat gevoed werd door een jalousie du métier en dat weinig bijdroeg tot verdieping van vertaalopvattingen. Jammer dat Naaijkens in zijn kadertekst het recentere, lopende debat over de vertaling van diezelfde Les fleurs du mal tussen Martin de Haan en Paul Claes niet heeft toegevoegd, vooral omdat dat bij Martin de Haan leidt tot een interessante (discutabele?) vertaalopvatting: Misschien is het na vier à vijf vormvaste vertalingen inmiddels tijd voor wat woestere experimenten: herdichtingen die niet pretenderen een neutrale ‘Baudelaire in het Nederlands’ te zijn, maar die zich nadrukkelijk als partijdig en gekleurd presenteren.” (Recensie: Zwarte venus van Charles Baudelaire in vertaling van Paul Claes).

Een bres in de cultuurgeschiedenis

Vertalen in de Nederlanden is echter zo veel meer dan een vertaalhistorie en een overzicht van vertaalopvattingen. Deze bundel slaat een bres in de cultuurgeschiedenis van de Nederlanden zoals die al te lang in academische kringen is beoefend. Nog te zeer geïnspireerd door de 19e‑eeuwse idee van de nationale culturen blijft de academische mythe van de coherentie en onveranderlijkheid van culturen overeind. De vruchtbare gedachte van culturele mobiliteit zoals die al in 2010 door Stephen Greenberg is uitgewerkt in zijn Mobility Studies Manifesto, heeft vooralsnog te weinig weerklank gevonden in culturele studies.

De ontbrekende vertaling door Dirck Pietersz. Pers van de Iconologia van Cesare Ripa uit 1644 heeft de Nederlandse cultuur langdurig beïnvloed. | Rijksmuseum, Amsterdam

Culturele studies hebben nog niet het door Greenblatt bepleite evenwicht gevonden tussen enerzijds de erkenning van de culturele continuïteit, die gedeeltelijk de culturele identiteit bepaalt, en de culturele dynamiek in de culturele identiteit, die aangestuurd wordt door een continu proces van hybridisatie, dat ontstaat bij contact tussen culturen. Dat aspect van verandering dat door cultuurcontact wordt veroorzaakt en aan de basis ligt van culturele mobiliteit, wordt door Vertalen in de Nederlanden in zijn volle cultuurhistorische impact belicht. Niet ten onrechte is de ondertitel dan ook Een cultuurgeschiedenis. Hier is eindelijk dat ontbrekende, broodnodige complement op de reeks Nederlandse cultuur in Europese context en op de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, die nog te eenzijdig de Nederlandse eigenheid belichtten. Vertalen in de Nederlanden zorgt voor de perspectiefverschuiving naar de dynamiek in de culturele identiteit. En dat was nodig want “de cultuur van de Lage Landen ontwikkelde zich van meet af aan in een spanningsveld van regionale, nationale en internationale tendensen”, zoals het woord vooraf vaststelt. Terecht merkt Inger Leemans in haar deel over vertalen in de 18e eeuw op, dat we worden uitgedaagd om “ingesleten noties over ‘de Nederlandse cultuur’, ‘nationale smaak’ en ‘eigenheid’ kritisch te herzien” (p. 333), wanneer we het vertaalbedrijf als uitgangspunt nemen. Immers, de stroom vertaalde werken is mede bepalend geweest voor de ‘Nederlandse cultuur’. In die zin levert een historische studie van vertalen in de Nederlanden een essentiële aanvullende bijdrage in het onderzoeksdomein van de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Ze zorgt voor inzicht in de basisdialectiek tussen geworteldheid en dynamiek, die volgens Greenblatt de essentie uitmaakt van culturele mobiliteit en culturele identiteit. Ik ben het ten dele eens met Inger Leemans, die stelt: “Je bent wat je aan vertalingen consumeert.” Want vertalingen zorgen voor culturele processen van interactie, selectie, imitatie, toe-eigening, integratie, assimilatie, weerstand, afwijzing en hybridisatie. Die processen bepalen mee de steeds weer kenterende culturele identiteit. De openingszin van het woord vooraf geeft dan meteen ook de belangrijkste reden om deze bundel als onmisbare bijdrage in de studie van de Nederlandse cultuur te betrekken: “Zonder vertalingen had de cultuur van de Nederlanden er anders uitgezien.”

De bundel legt terecht de focus op impact van vertalingen op de cultuur, namelijk “in hoeverre vertalingen van belang geweest zijn voor sociale en culturele veranderingen”. Uiteraard is er daarbij aandacht voor de vertalingen van de Bijbel, naast literaire werken, juridische en wetenschappelijke teksten. De representatieve, toonaangevende werken zijn in elk geval uitvoerig behandeld. Een enkele keer ontbreekt wel een cultureel invloedrijke vertaling. Zo heb ik mij verwonderd over het ontbreken van de vertaling van Cesare Ripa’s Iconologia, die in 1644 door Dirck Pietersz. Pers met illustraties is uitgebracht, want dit werk “dat dienstigh is, alle Reedenaers, Poëten, Schilders […] om uyt te drucken en te vinden, ’t Begrip van alle Sinnebeelden” heeft een bijzonder grote en langdurige invloed gehad op de kunst en de cultuur van de Nederlanden. Die invloed is minstens even groot geweest als die van Serlio’s architectuurboeken. In de bibliografie miste ik ook node van James Holmesؘ – de eerste universitaire docent theoretische vertaalwetenschap – het baanbrekende artikel Wat is vertaalwetenschap? (1977). En bij de vertaalopvattingen had ik graag gezien hoe historisch is omgegaan met markante cultuurverschillen tussen bronteksten en doelteksten, een heikele kwestie in de rol van vertalingen in cultuurcontact (zie bv. Beheydt, 2018) en natuurlijk een kernvraag in een boek dat zich presenteert als een cultuurgeschiedenis.

Tot slot wil ik zeker nog de professionele presentatie van dit boek niet onvermeld laten. De helder ingedeelde tekst wordt tussendoor geïllustreerd en toegelicht met ter zake doende kaderteksten, hier vignetten genoemd, die de leeslast voor niet-specialisten zeker verlichten. Ik zal u niet verhelen, dat ik bij het doorbladeren van het boek eerst ben blijven haken bij enkele van die vignetten. Behalve de vignetten zijn er trouwens ook nog de prachtige functionele illustraties, het nuttige register, de doorverwijzingen in de noten en de uiterst verzorgde bibliografie. Dit boek is, kortom, een baken in de vertaalwetenschap.

Dick Shoenaerts, Theo Hermans, Inger Leemans, Cees Koster & Ton Naaijkens, Vertalen in de Nederlanden: Een cultuurgeschiedenis, Boom uitgevers, Amsterdam, 2021, ISBN 978 90 244 4333 8, 655 pp. Prijs: € 49,95.

Bibliografie

  • Beheydt, L. (2018). Taal, cultuur en vertaling: een semiotische benadering. Rockzniki Humanistyczne, LXVI(5), 155-167. http://dx.doi.org/10.18290/rh.2018.66.5s-13

Ludo Beheydt is emeritus hoogleraar Civilisation néerlandaise en Linguistique néerlandaise aan de Université catholique de Louvain. Hij is lid van de redactie van Neerlandia.
Contact: ludo.beheydt@skynet.be

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2022/4.

Naar boven