De man die de canon voor het raam zette

Frits van Oostrom ontvangt de Visser-Neerlandiaprijs

Maxim Februari

De canon van de commissie-van Oostrom

Ik weet dingen van Frits van Oostrom. Persoonlijke dingen.

Ik weet bijvoorbeeld dat hij zo verschrikkelijk snel schrijft, dat hij al schrijvende met geen mogelijkheid kan kiezen tussen alle synoniemen die hij voelt buitelen / stuiteren / duikelen / tuimelen door zijn hoofd / geest / brein / hersens / intellect en dat hij ze daarom simpelweg allemaal achter elkaar zet met een schuine streep / slash / schrap ertussen. Als je een voorlopig geschrift van hem te lezen krijgt, staar je verbluft naar een buffet, een smörgåsbord, een pu pu platter van Frits-gedachten.

Ook weet ik dat hij over zijn teksten nadenkt tijdens het scheren.

Als mij is gevraagd ter gelegenheid van de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs iets te zeggen over de voortreffelijkheid van professor doctor F.P. van Oostrom, dan is dat bepaald niet omdat ik de grootste kenner ben van zijn werk op het gebied van de middeleeuwse letterkunde. Ik sta hier omdat ik verstand heb van zijn werkproces, de mysterieuze manier waarop hij dingen voor elkaar krijgt die een ander niet voor elkaar krijgt. Het is een talent dat mijns inziens, ondanks alle lof, toch nog steeds onderschat is in het wetenschappelijke, literaire en culturele leven van Nederland en Vlaanderen. En hoewel ook ik niet precies weet hoe dat talent functioneert, kan ik wel proberen het hier vandaag eens flink op waarde te schatten.

Tussen 2005 en 2006 werkten Frits van Oostrom en ik een jaar lang nauw samen, toen hij voorzitter was van een commissie die de Canon van Nederland moest samenstellen. Ik werd lid van die commissie, wat misschien niet meteen voor de hand lag. De keuze voor de andere leden lag ook niet voor de hand, het geheel was een raar zooitje eenlingen, zonderlingen en eenzaten – de Bremer straatmuzikanten, zei Frits. Zo begon hij met voorsprong, want het eerste dat een voorzitter van een staatscommissie moet doen, is de overheid buiten de deur houden – je wilt geen ambtenaren / spionnen / mollen aan tafel tenslotte – en dat lukte wonderwel.

Professor doctor Van Oostrom was in die tijd ook president van de Koninklijke Academie van Wetenschappen en dat was reuze deftig. Hij zetelde in een gouden kamer in het Amsterdamse Trippenhuis. En wij zaten daar op gouden stoelen. Maar onder al die schijn van deftigheid was de geleerde Van Oostrom een frugale / spartaanse werker. Toen ik later een tekst van hem las over devotie in het zusterhuis te Dieperveen, herkende ik daarin zijn eigen enthousiasme voor versterving als methode om de concentratie te bevorderen.

“Tegen dit walgelijke gerecht konden de zusters dagen van tevoren opzien”

Met zichtbaar plezier schrijft de geleerde Van Oostrom over de wansmakelijke brij die de zusters in Diepenveen te eten kregen. Geraspte roggekruimels aangemaakt met olie en mosterd, vermengd met pastinaak, een beetje stokvis en bijna bedorven schol. ‘Tegen dit walgelijke gerecht konden de zusters dagen van tevoren opzien”, schrijft Frits tevreden. Het ging immers niet om het uiterlijk maar om het innerlijk tafelen, om de inwendige spijs van het lijden, die de zusters intens probeerden te proeven, waardoor alle eten verrukkelijk werd.1

De leden van de Canon-commissie waren door voorzitter Frits nauwkeurig geselecteerd op een vergelijkbare voorliefde voor stokvis en bijna bedorven schol. Het was zijn verdienste dat hij zulke serieuze types had gevonden en dat hij ze met zijn aanpak vrolijk aan de gang wist te houden. Per slot van rekening draaide het allemaal, zei hij in augustus 2005 bij de presentatie van deze commissie, om de grote intrinsieke waarde van de canon, om kwaliteit, om rijke verhalen, markante personen en fraaie kunstwerken. Om innerlijke spijs, zou je kunnen zeggen. Om onderwijs.

Want het kennispeil van de jeugd daalde in die jaren – er liepen volgens Frits jongeren rond die dachten dat Jeanne d’Arc getrouwd was met Noach – en dus was het onderwijs aan een opknapbeurt toe. Er moest weer respect komen voor bevlogen leraren die de weg konden wijzen. Leraren, scheef Frits, “die onderwijs, naar het mooie Oudgriekse gezegde, niet zagen als het volgooien van emmers, maar als het ontsteken van een vuur”.

Dat laatste is natuurlijk meteen een omschrijving van zijn eigen werk, dat niet zozeer emmers wil volgooien, als wel vuur hoopt te ontsteken. Toen Frits recent, in 2020, schreef over zijn plannen voor een boek over de Reynaert, herinnerde hij eerst aan de bevlogen leraren die hem in zijn jeugd enthousiast maakten voor de Reynaert als volbloed literatuur. En vervolgens liet hij weten dat het zijn ambitie is op zijn beurt “een nieuwe generatie te winnen voor de rijkdom, de humor en de diepgang van die tekst”.2

Het ging immers niet om het uiterlijk maar om het innerlijk tafelen

Terug naar de commissie: die was dus dienstbaar aan het onderwijs en tegelijk werkte ze in opdracht van de staat. En in die paar woorden zit veel spanning verstopt. Zoals iedereen weet, hebben de staat en het onderwijs niet vanzelfsprekend dezelfde belangen als het gaat om de nationale geschiedenis. Ik denk dat iedereen in Nederland daarom in de problemen zou zijn gekomen als voorzitter van een staatscommissie met zo’n opdracht. Er was een voorzitter nodig met een mysterieus talent om er desondanks, schijnbaar moeiteloos, een succes van te maken.

Politieke druk was er volop.

Terwijl de commissie in de gouden kamer van het Trippenhuis bijeenzat en zich tegoed deed aan een wansmakelijke brij van geraspte roggekruimels, probeerden drommen buitenstaanders zich naar binnen te wringen. Verslaggevers zochten een lek / informant / Judas, die er niet was, overal lagen belanghebbenden in de struiken in hinderlaag, we werden ontboden, geboden, met honing gelokt en afgeblaft.

Maxim Februari (links) met Frits van Oostrom | Foto Jo De Rammelaere

Frits kwam welgemoed terug van officiële vergaderingen met officiële mensen die hij officieel te woord had gestaan en kennelijk tevreden had gesteld. En dan begon het innerlijk tafelen.

Tijdens het scheren had Frits bedacht dat je de canon kon tonen in verschillende windows en zo kwam er uiteindelijk een wandkaart met vijftig vensters. Met die wandkaart was de keuze gemaakt voor een canon die zich richtte op het schoolkind van acht, of tien, of twaalf, niet op de academische gemeenschap. En daarmee ging de hoop op bijval vanuit de wetenschappelijke elite het raam uit.

Die elite had nu twee opties: óf ongezien de neus ophalen voor de canon als überhaupt afkeurenswaardig elitair project óf verbijsterd naar die blauwe kinderkaart kijken met al die plaatjes. Had de commissie niet moeten afkomen met een duizend pagina’s tellende intellectuele deconstructie van het concept canon in het kader van een hernieuwde opvatting van hegemonie als verbonden met de contingente locaties en strategieën van de herarticulatie van de macht? Hoezo een wandkaart?

Maar professor Van Oostrom, president van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, had het van meet af aan gezegd. De commissie zou zich danig bezighouden met de didactische presentatie.

Wij zullen onze werkzaamheden dus beginnen aan de zijde van het onderwijs. We hebben ons tijdens de eerste commissievergadering afgevraagd aan welke kant van het onderwijs we moesten beginnen.

Er is een zekere traditie om examennormen en de daarmee samenhangende kennisgebieden af te leiden van wat in de wetenschap belangrijk gevonden wordt. Didactisering vindt dan plaats volgens het theezakjesmodel: op het vwo wordt van het academische zakje het eerste kopje getrokken, vervolgens hangt het een poosje in het havokopje, en het vmbo (met een marktaandeel van 65%) zoekt het zelf maar uit.

De commissie heeft daarom vanmorgen haar eerste besluit genomen: wij zullen beginnen bij het basisonderwijs en groeien aldus met het ‘zich canoniserende kind’ mee naar de verschillende fasen van voortgezet onderwijs.

En met deze keuze voor het zich canoniserende kind, voor die tienjarige die straks naar het vmbo zou gaan en dan iets zou willen weten over de hunebedden en Van Gogh – met die keuze heeft Frits van Oostrom zich bij mij voorgoed geliefd en bemind gemaakt. De man is een held.

Het was een uiterst moedige keuze om in de wereld van belangrijkheid en belangen te kiezen voor innerlijk tafelen, voor scholing, voor de rijkdom van onze cultuur, voor de rijkdom van schoolklassen waarin eindeloos veel verschillende kinderen zitten met eindeloos veel verschillende achtergronden, afkomsten, mogelijkheden, belangstellingen. Het was een zorgzame keuze om ze niet als emmers vol te gooien met leerstof, maar ze vensters te bieden die je digitaal kunt openen en waarachter dan een hele wereld blijkt schuil te gaan. Het was lotsverbondenheid van de geleerde met het praktisch lerende kind van het vmbo.

Het bleek een daverend succes. Door het mysterieuze talent van Frits kwam er geen politieke rel over de keuzes. Integendeel, de canon is officieel in de leerdoelen terechtgekomen, scholen zijn ermee aan de slag gegaan, heel Nederland heeft de wandkaart overgetrokken en een eigen lokale canon gemaakt, er zijn puzzels, theemokken, cartoons met de canon, in Amsterdam is een restaurant dat Venster 33 heet. Het zich canoniserende kind kan de geschiedenis en de cultuur rondom bekijken. De rijkdom, de diepgang ervan.

Dat ik ondanks al dat schetterende succes het talent van Frits toch nog steeds onderschat noem, heeft te maken met de wereld van de belangrijkheid waarin het project ook belandde. Ik herinner me bijeenkomsten rondom kind en canon waarbij de aanwezigen op de voorste rijen om het hardst rammelden met hun juwelen.

Professor Van Oostrom had van meet af aan gezegd dat het ging om de inwendige spijs, niet om de uiterlijkheden

Professor Van Oostrom had van meet af aan gezegd dat het ging om de inwendige spijs, niet om de uiterlijkheden. Een canon, zei hij, bewijst zijn waarde niet zozeer door er te zijn, maar door te leven. “Tot de opdracht van onze commissie behoort ook voorstellen te doen voor toekomstige verversing van de canon”, schreef hij bij aanvang. En dat verversen zou na een aantal jaren door anderen moeten gebeuren, zoals het onlangs op zijn advies ook is gebeurd.

Dus als ik nu belangrijke mensen tegenkom die hun hoofd triomfantelijk een beetje schuin houden en monkelen “nou, die canon van jullie, die is alweer aangepast, hè?”, dan denk ik: “jullie

onderschatten de mysterieuze brille van Frits van Oostrom, zijn overzicht en zijn bereidheid de beschaving over te laten aan anderen”. Kortom, hoewel ik denk dat in het zusterhuis te Dieperveen weinig waardering zou zijn voor zoiets werelds als een Visser-Neerlandiaprijs, ben ik zelf diep dankbaar dat met deze prijs nu een oeuvre wordt bekroond dat meeleeft met een levende cultuur en dat rekening houdt met 100% van de tienjarigen die daartoe behoren.

Gefeliciteerd.

Maxim Februari is schrijver, jurist en filosoof. Contact: michael@michaelroumen.com

Noten
1 Van Oostrom, F. (2010). Alles of niets: Eten als levenshouding bij hovelingen en devoten in laat-middeleeuws Nederland. De Gids, 173(6), 640-647. [p. 644]
2 Van Oostrom, F. (2020). Rondom de Reynaert: Oud Goud, nieuwe inzichten en een brief van Maartje Draak. Tiecelijn, 33 (Jaarboek 13), 11-25. [p. 25]

Deze laudatio voor prof. dr. Frits van Oostrom werd uitgesproken op 15 oktober 2022 in Bergen op Zoom ter gelegenheid van de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs.

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2022/4. Bekijk de inhoud van dit nummer.