Naar aanleiding van de komst van Oekraïense vluchtelingen in Nederland en Vlaanderen is het onderwerp van de organisatie van taalcursussen Nederlands weer actueel. En dan wordt telkens weer de mythe gedebiteerd dat Nederlands zo’n moeilijke taal is. Zo onder meer in het televisiejournaal van de VRT in april jongstleden. 

Ludo Beheydt 

Is het Nederlands dan zo’n moeilijke taal? De vraag alleen al doet sommige taalkundigen steigeren. Ze wijzen er dan op dat de relatieve moeilijkheidsgraad van een vreemde taal een illusie is die vooral ontstaat vanuit het standpunt van de eigen taal: hoe nauwer een vreemde taal aansluit bij de moedertaal, hoe makkelijker ze lijkt. Vaak wordt er ter adstructie nog aan toegevoegd dat kinderen er overal ter wereld nagenoeg even lang over doen om hun moedertaal te leren en dat die relatieve moeilijkheidsgraad dus eigenlijk een mythe is. 

Dat laatste argument wordt echter tegengesproken door onderzoek van het tempo van taalverwerving in verschillende talen. Zo vond bijvoorbeeld Dan Slobin (University of California, Berkeley) in een vergelijkend onderzoek van taalverwerving dat kinderen die Egyptisch Arabisch als moedertaal hebben, zelfs nog fouten maken in het meervoud van heel gewone woorden als ze vijftien jaar zijn. In het Nederlands is het meervoud al veel sneller verworven. De verklaring daarvoor zou liggen in de extreme complexiteit van de meervoudsvormen in het Arabisch. Kennelijk speelt formele complexiteit dus wel degelijk een rol in de moeilijkheidsgraad van de verwerving. Ook verwantschap tussen moedertaal en Nederlands speelt een rol. Duitstaligen hebben het makkelijker om Nederlands te leren dan Franstaligen, bijvoorbeeld vanwege de grammaticale en lexicale gelijkenis. Vergelijk maar: 

Nederlands: 
Pierre leest zijn boek. / Anna leest haar boek.  

Duits:
Pierre liest sein Buch. / Anna liest ihr Buch. 

Frans:
Pierre lit son livre. / Anna lit son livre 
Pierre lit sa convocation. 

Wat formele complexiteit betreft, valt het Nederlands nog wel mee. In vergelijking met sommige ons omringende talen is het Nederlands niet zo moeilijk. Anders dan het Frans of het Spaans hebben wij een relatief eenvoudig tijdssysteem: we zijn gespaard van de complexe subjonctif of passé simple en we hebben – een aantal sterke werkwoorden niet te na gesproken – niet zo’n ingewikkelde werkwoordvervoeging. Ook wat naamvallen betreft valt het nogal mee, bijvoorbeeld in vergelijking met het Duits, dat er vier hanteert. Of het Hongaars, dat een twintigtal naamvallen heeft, waarvan de uitgangen achter elkaar worden geplakt. Of het Pools, dat zeven naamvallen heeft. Natuurlijk hebben we nog een restje verbuiging van het adjectief: een mooie auto, mooie auto’s, mooie huizen tegenover een mooi huis, maar dat verzinkt in het niet bij het Frans of het Italiaans: une belle voiture, un beau garçon, des belles voitures, des beaux garçons / una bella macchina, un bel ragazzo, belle macchine, belli ragazzi

Eigenlijk is het met het Nederlands een beetje zoals met het Engels: je bent algauw redzaam in het Nederlands. De basisstructuur van de zin is relatief eenvoudig en met de woordenschat van de zowat duizend meest gebruikelijke woorden, zoals die bijvoorbeeld te vinden zijn de Woordenlijst elementaire kennis (Beersmans & Beheydt, 1983), kom je al een heel eind. We hoeven dus anderstaligen niet af te schrikken om Nederlands te leren. Vooral ook niet omdat er ondertussen bijzonder geschikte taalcursussen Nederlands als vreemde taal bestaan die op een vlotte, toegankelijke manier, met steun van audiovisueel materiaal, de verwerving van het Nederlands vergemakkelijken. Ik denk dan in Vlaanderen aan de leergang Vanzelfsprekend van Rita Devos et al. (2018) en in Nederland aan Code+, ontwikkeld door docenten van de Universiteit van Amsterdam. Deze cursussen voor leerders met een middelbare of hogere opleiding richten zich op alle anderstaligen. Maar zoals al gesuggereerd in de inleiding is het vaak efficiënter als leerders gebruik kunnen maken van een leergang die uitgaat van hun moedertaal. Het is nu eenmaal anders en wellicht gemakkelijker als je Nederlands kan leren als Duitser dan als Pool of Italiaan. Ook voor doelgroepen met specifieke moedertalen zijn er allerlei cursussen Nederlands voorhanden. Bij wijze van voorbeeld noem ik de Poolse leergang Niderlandzki krok po kroku van Agata van Ekeren Krawczyk en de Italiaanse Mooi zo! Corso di lingua neerlandese van Dolores Ross e.a. En mocht u het zich afvragen: er is ook al een leergang Nederlands voor Oekraïners van Ria van der Knaap. 

Natuurlijk is niet altijd een specifieke op de eigen taal gebaseerde cursus nodig. Als je al eerder een andere, meer met het Nederlands verwante vreemde taal geleerd hebt, zoals het Engels of het Duits, dan leer je ook als Oekraïense bijvoorbeeld sneller Nederlands. Net zoals een Nederlandse die Italiaans leert, dat sneller doet als zij al Frans kent. 

Er is een rijke keuze aan leergangen Nederlands voor allerlei doelgroepen.

Natuurlijk heeft het Nederlands zoals elke taal wel zijn eigenaardigheden. Wat de klanken betreft valt het nogal mee. Voor Italianen is de uu van huur wat problematisch, zodat een zinnetje als ik wil die huren wel eens verwarrend klinkt als ik wil die hoeren. Maar wij hebben niet een articulatorisch hoogstandje met erg gelijkende sisklanken, zoals het Pools. Hooguit is er dat moeilijke verschil tussen g en h, wat tot hilariteit kan leiden als geil en heil verward worden: Verwacht daar niet te veel geil/heil van. Overigens is dat een probleem waar ook West-Vlamingen en deels Oost- en Zeeuws-Vlamingen tegen aanbotsen. In de mis hoor ik in West-Vlaanderen wel eens de geilige maagd Maria aanroepen. Wel problematisch in de uitspraak is het woordaccent. Sprekers van talen met een vast woordaccent, zoals het Frans of het Pools, ergeren zich vaak aan de ogenschijnlijke willekeur in het Nederlandse woordaccent: zo kan het voorkomen dat een man met voorkomen niet kan voorkomen dat hij moet voorkomen. 

Daarnaast zijn er in de zinsbouw twee echte struikelblokken waar anderstaligen blijvend moeite mee hebben. Die staan bekend onder de taalkundig wat dubieuze, maar didactisch toch wel bruikbare termen inversie en tangconstructie. Die hebben we trouwens gemeen met het Duits. Die vormen dus voor Duitstaligen die Nederlands leren, geen struikelblok. 

Inversie is het verschijnsel dat bij vooropplaatsing van een ander zinsdeel dan het onderwerp, plotseling onderwerp en werkwoord van plaats verwisselen. En wel als volgt: 

Ik kom morgen wat later. 
Morgen kom ik wat later. 

Die inversie is voor veel anderstaligen een blijvend struikelblok, ook al omdat die in het Engels of het Frans (bijna) niet voorkomt.  

Het tweede zinsbouwprobleem dat nogal taai blijkt, is de zogenaamde tangconstructie. In het Nederlands hebben we de rare gewoonte om wat in betekenis heel eng met elkaar verbonden is, niet bij elkaar te plaatsen, maar als een tang de rest van de zin te laten omsluiten. En daar gaan we heel ver in. Soms omsluiten we zelfs de ene tang met de andere: 

Dat heb en gewerkt inhoudelijk nauw met elkaar verbonden zijn, blijkt omdat heb het hulpwerkwoord is voor de tijdsaanduiding van werken. En dat daar en aan nauw verbonden zijn, blijkt zodra we de zin herschikken: Daaraan heb ik al heel lang niet meer gewerkt. Het probleem voor de leerder is dat heel wat talen daarin net omgekeerd te werk gaan: ze plaatsen bij elkaar wat inhoudelijk samen hoort.  

Frans:  
J’ai travaillé à cela.    

Engels: 
I have worked at that. 

Voorts valt het met de Nederlandse zinsbouw nog wel mee. Natuurlijk zijn er daarnaast nog die vervelende sterke werkwoorden (nemen, nam, genomen/ eten, at, gegeten …), maar daarin moet het Nederlands niet onderdoen voor het Engels (take, took, taken/ eat, ate, eaten …) of voor het Frans met de verschillende vervoegingen van chanter, finir, recevoir en apprendre. Uitzonderingen op de regelmaat zijn er verder zoals in elke taal. Charivarius, de vroegere taaltuinier van de Groene Amsterdammer, geducht om zijn beruchte taaladviesboek uit de jaren veertig van de vorige eeuw, schreef ooit een geestig gedicht met vervelende uitzonderingen uit ‘die moeilijke taal’: 

De taal der talen 
Het meervoud van slot is sloten, 
Maar toch is het meervoud van pot, geen poten. 
Evenzo zegt men: één vat twee vaten 
Maar zal men niet zeggen: één kat twee katen. 
Wie gisteren ging vliegen, zegt heden: ik vloog. 
Dus zeggen ze misschien ook van wiegen: ik woog? 
Neen mis! want ‘ik woog’ is afkomstig van wegen. 
Maar… is nu ‘ik voog’, een vervoeging van vegen? 
En dan, het woord zoeken vervoegt men: ik zocht 
En dus hoort bij vloeken, misschien wel ik vlocht? 
Alweer mis! want dit is afkomstig van vlechten 
Maar ‘ik hocht’ is geen juiste vervoeging van hechten 
Bij roepen hoort riep, bij snoepen geen sniep 
Bij lopen hoort liep, maar bij slopen geen sliep 
Want dit is afkomstig van het schone woord ‘slapen’ 
Maar zeg nu weer niet, ‘ik riep’ bij het woord rapen. 
Want dat komt van roepen, en u ziet terstond: 
Zo draaien wij vrolijk in een kringetje rond. |
Van raden komt ried, maar van baden geen bied. 
Dat komt van bieden, ik hoop dat u ’t ziet. 
Ook komt hiervan bood, maar van wieden geen wood.
U ziet de verwarring is akelig groot! 
Nog talloos veel voorbeelden kan ik u geven |
Want gaf hoort bij geven, maar laf niet bij leven |
Men spreekt van: wij drinken, wij hebben gedronken 
Maar niet van: wij hinken, wij hebben gehonken 
Het volgende geval, is bijna te bont, 
Bij slaan hoort: ik sloeg, niet: ik sling of ik slond 
Bij staan niet: ik stong, ik sting, maar ik stond 
Bij gaan hoort ik ging, en niet ik goeg of ik gond 
Een mannetjeskat, noemt men meestal een kater 
Noemt men een mannetjesrat, soms een rater? 
Zo heeft het NEDERLANDS verschillende kwalen 
Niettemin is en blijft het, DE TAAL DER TALEN. 

De vervoeging van de sterke werkwoorden is inderdaad vervelend, maar ze is wel te leren, net zoals die van het Engels of het Frans. Wat minder makkelijk te leren is en wellicht het lastigste aan het Nederlands, zijn die vele kleine modale woordjes die in een relatief vaste volgorde kunnen worden opgehoopt en de betekenis van een zin soms hopeloos nuanceren. Zoals in: vertel me nu dan toch ook nog maar eens even hoe je het doet. Probeer dit zinnetje maar eens in goed Engels of Frans te vertalen. Niet verwonderlijk dat een Engelse cursus Nederlands die modale partikels wanhopig “small words with no particular meaning” noemt. Ze zijn weliswaar klein, maar ze dragen ontegensprekelijk bij aan de betekenis én ze zijn lastig in het gebruik. En zo is het Nederlands dan toch ook nog wel een beetje een moeilijke taal.  

Ludo Beheydt is emeritus hoogleraar Civilisation néerlandaise en Linguistique néerlandaise aan de Université catholique de Louvain. Hij is lid van de redactie van Neerlandia. 
Contact: ludo.beheydt@skynet.be 

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2022/3.

Naar boven