Wanneer verfranste het Nederlands?

Onderzoek naar de historische invloed van het Frans op de Nederlandse woordenschat

Brenda Assendelft & Gijsbert Rutten

Het is geen geheim dat de Lage Landen van oudsher al meertalig zijn. Het gebied omvat vele Nederlandse en Friese dialecten en in het zuiden bovendien Franse. Aan dat repertoire zijn later de Nederlandse en Franse standaardvariëteiten toegevoegd. Dankzij handel en migratie en ook via het geschreven woord zijn daar door de eeuwen heen nog allerlei andere talen bij gekomen. Tot de belangrijkste historische contacttalen hoort, naast het Latijn, zonder meer het Frans.

Belle van Zuylen (1740-1805, geschilderd door Maurice-Quentin de La Tour, 1704-1788) schreef in het Frans en geldt daardoor als een van de standaardvoorbeelden van de verfransing in de 18e eeuw. Bron: Literatuurmuseum

Dat Frans verspreidde zich op allerlei manieren in de Lage Landen. Franstalige arbeidsmigranten uit de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk vestigden zich vanaf de late middeleeuwen bijvoorbeeld in het Hollandse Leiden. Hugenoten ontsnapten aan mogelijke repressie en vervolging door naar het noorden te trekken. In diplomatieke en mercantiele kringen was Frans een lingua franca. Franse scholen schoten vanaf de 16e eeuw overal uit de grond. En natuurlijk was de Franse cultuur een ijkpunt.

Traditioneel wordt het historische belang van de Franse taal en cultuur wel gevat in termen van verfransing. Die verfransing zou in het bijzonder de 18e eeuw getroffen hebben. Dat Belle van Zuylen (ofwel Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken), geboren in Zuilen, haar werken in het Frans schreef onder de naam Isabelle de Charrière geldt als een van de standaardvoorbeelden. Het begrip verfransing omvat overigens allerlei aspecten van de contactsituatie. Het verwijst naar taalkeuze, bijvoorbeeld wanneer oorspronkelijk Nederlandstalige elitaire families in het Frans converseren, corresponderen en dagboek houden. Het kan evenzeer verwijzen naar taalgebruik, bijvoorbeeld het overvloedig gebruik van leenwoorden uit het Frans, zoals converseren en corresponderen. Er is ook wel beweerd dat de verfransing van de woordenschat juist eerder een 19e-eeuws verschijnsel is, omdat in het kielzog van de korte, maar hevige Franse tijd allerlei nieuwe woorden in het Nederlands terechtkwamen.

Zijn deelwoordconstructies met zijnde en hebbende een navolging van de Franse stijl?

Vreemd genoeg is er niet zo veel taalkundig onderzoek naar die vermeende verfransing. Er zijn wel studies van het taalgebruik van individuen en families, maar een meer overkoepelend onderzoek naar de invloed van het Frans op taalkeuze en taalgebruik in de vroegmoderne tijd is er niet. Een intrigerende kwestie is bovendien de mogelijke invloed van het Frans op de grammatica. Zijn bijvoorbeeld de frequente deelwoordconstructies met zijnde en hebbende, die zo kenmerkend zijn voor het 17e-eeuwse Nederlands, een navolging van de Franse stijl?

In het project Pardon my French?, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), willen we deze en verwante vragen beantwoorden, waarbij we ons concentreren op de Noordelijke Nederlanden. We hebben onder andere een corpus samengesteld van bronnen uit Leiden voor onderzoek naar Franse invloed op het taalgebruik. We hebben gekozen voor Leiden, omdat deze stad aantoonbaar op verschillende manieren met het Frans in contact kwam: via migratie, maar ook langs schrijftalige weg in bijvoorbeeld culturele en academische kringen. Bovendien weten we uit eerder onderzoek dat regionale factoren cruciaal zijn: in Groningen en Friesland was het Frans waarschijnlijk veel minder belangrijk dan in bijvoorbeeld Brabant en de Hollandse steden. Het Language of Leiden Corpus (LOL Corpus) bevat bronnen uit de periode 1500-1900, opgedeeld in periodes van vijftig jaar, en beslaat zeven maatschappelijke domeinen: het privéleven, de literatuur, de academie, de liefdadigheid, de lokale economie, de religie en de publieke opinie. De periodisering moet het mogelijk maken een eventuele verfransing in de 18e of 19e eeuw in kaart te brengen, afgezet tegen mogelijk minder verfranste eerdere eeuwen.

In dit artikel beperken we ons tot drie domeinen: het privéleven, de academie en de literatuur, en bovendien tot leenwoorden. Een evidente vraag is hoeveel Franse leenwoorden er nu eigenlijk echt gebruikt worden door de eeuwen heen. Leenwoorden uit het Frans zijn er in ieder geval legio in het LOL Corpus: ongeveer 15.000. Over de eeuwen heen is er een geleidelijke toename. Het hoogtepunt ligt in de 18e eeuw, wat het traditionele idee bevestigt, maar de piek ligt wel al in de eerste eeuwhelft. Daarna beginnen de Franse leenwoorden af te nemen, wat flink doorzet in de 19e eeuw. Ons corpus geeft geen aanleiding te spreken over verfransing voor die laatste periode, waarin zich eerder een vernederlandsing lijkt voor te doen. De stijging zit vooral in de eerste eeuwen en van de tweede helft van de zeventiende naar de eerste helft van de achttiende eeuw. Zo bekeken is verfransing, in de zin van een geleidelijke toename van Franse invloed, eerder een 16e- en 17e-eeuws verschijnsel.

Als we het jaar van ontlening erbij betrekken, wordt het beeld nog weer anders. Heel veel leenwoorden zijn gedateerd in historische en etymologische woordenboeken. We zijn die dateringen nagegaan voor de Franse leenwoorden in het LOL Corpus en wat blijkt? Verreweg de meeste woorden zijn ontleend in de middeleeuwen of in de 16e eeuw. Dat suggereert sterk dat het contact met het Frans toen hevig was en dat in de eeuwen erna reeds ontleende woorden in frequentie toenamen, maar tegelijk het contact niet meer zo intens was dat er nog veel nieuwe ontleningen bij kwamen.

Verreweg de meeste woorden zijn ontleend in de middeleeuwen of in de 16e eeuw

Het algemene beeld dat we hiervoor schetsten, is wel echt algemeen. Dat wil zeggen, als we per domein kijken, blijken er grote discrepanties te zijn. Het academische domein, met vooral notulen uit het archief van de Leidse universiteit, begint onmiddellijk met een vrij hoge frequentie leenwoorden, waaronder universiteit en curateur. Dat verandert pas als in de 19e eeuw overal de aantallen leenwoorden inzakken. De 16e-eeuwse rederijkersliteratuur bevat nog allerlei Franse leenwoorden, maar vanaf de 17e eeuw keldert het aantal en dat blijft dan ook zo. Weer een ander patroon zien we in het privédomein, dat persoonlijke brieven bevat. Hier zien we een ontwikkeling die overeenkomt met het algemene beeld, dus met een piek in de 18e eeuw, wanneer woorden als adieu, logeren, plezier en tante veel gebruikt worden. Tegelijk is het zo dat de frequentie van leenwoorden in het privédomein over het algemeen laag is, veel lager bijvoorbeeld dan in het academische domein.

Het LOL Corpus biedt dus een zeer gedifferentieerd beeld van het gebruik van Franse leenwoorden in het Nederlands door de eeuwen heen. Zo’n beeld krijg je alleen door intensieve empirische analyses op basis van een zorgvuldig samengesteld corpus. Er blijken grote

verschillen te bestaan tussen de domeinen, wat betekent dat het gebruik van Franse woorden sterk gebonden is aan een specifieke context. Een stap die uiteraard gezet moet worden, is de vergelijking van meer algemene en van domeinspecifieke woordenschat. Verder lijkt het erop dat contact met het Frans in de 17e en de 18e eeuw niet heeft geleid tot een influx van veel nieuwe ontleningen. Er is in die periode eerder een toename van al ontleende woorden. Met deze voorlopige conclusies is ons onderzoek een eerste stap op weg naar een omvattende studie van de invloed van het Frans op het Nederlands in de vroegmoderne tijd. Het is nu al duidelijk dat een concept als verfransing te grof is om die historische situatie van contact te begrijpen: afhankelijk van je definitie en voorkeuren is de Nederlandse woordenschat primair verfranst in de middeleeuwen, dan wel in de 16e en de 17e eeuw of juist in de 18e eeuw. Voorwaar een surprise!

Brenda Assendelft is promovendus aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden.
Contact: b.m.e.assendelft@hum.leidenuniv.nl

Gijsbert Rutten is bijzonder hoogleraar aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden. Hij is onderwijsdirecteur van het Leiden University Centre for Linguistics.
Contact: g.j.rutten@hum.leidenuniv.nl

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2021/4.

Naar boven