Visser-Neerlandiaprijs voor het Reynaertgenootschap

Op zaterdag 30 oktober is in AMUZ in Antwerpen de Visser-Neerlandiaprijs uitgereikt aan het Reynaertgenootschap vzw uit Sint-Niklaas. De laudatio werd uitgesproken door Frits van Oostrom. U leest de tekst van de laudatio hieronder.

Het was in eenen tsinxendaghe 
dat beede bosch ende haghe 
met groenen loveren waren bevaen. 
Nobel die coninc hadde ghedaen 
sijn hof crayeren over al, 
dat hi waende – hadde hijs gheval – 
houden ten wel groten love. 
Doe quamen tes sconinx hove 
alle die diere, groet ende cleene, 
sonder vos Reynaert alleene. 
Hi hadde te hove so vele mesdaen 
dat hire niet en dorste gaen. 
Die hem besculdich kent, ontsiet.

Deze tekst, overigens ontdekt in Duitsland, illustreert ten voeten uit waar het ANV voor staat. De Reynaert is natuurlijk volbloed Vlaams, en het voornaamste handschrift werd te Gent geschreven, zo ongeveer op de geboortegrond van Reynaert. Maar het andere handschrift komt uit Utrecht – en fragmenten van de Reynaert uit Gelre en Limburg. Deze vroege spreiding in de ruimte wijst op aanmerkelijk succes al in de middeleeuwen, en dat succes is eigenlijk nooit meer weggegaan. Volgens W.P. Gerritsen was de Reynaert “waarschijnlijk de enige tekst uit de Nederlandstalige literatuurgeschiedenis die nog nooit door iemand saai gevonden is”. En dat positieve oordeel over de Reynaert strekt van scholieren tot en met letterkundigen; er is waarschijnlijk geen sterker voorbeeld van unanimiteit voor het forum van de literatuurgeschiedenis. In de bekende canonenquête van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde uit het begin van deze eeuw belandde de Reynaert bij de Vlaamse leden op de allereerste plaats, en daarmee boven Elsschot, Claus, Van Ostayen en Boon. Bij de Nederlandse deelnemers werd de Reynaert tweede, na Max Havelaar – maar slechts met één stem verschil en altijd nog ruim voor Vondel en Hooft en andere 17e-eeuwers.

Ook in de wetenschap bestudeert men de Reynaert aan weerszijden van de grens. Studie en waardering van de Reynaert kort na 1830 begonnen bij Jan Frans Willems, maar deze was toen al met de Noord-Nederlander Bilderdijk in correspondentie over de Reynaert. Ook in later tijd zou Reynaert floreren bij gezamenlijkheid: ik denk alleen al aan J.W. Muller en Willem De Vreese, die in samenspraak de spectaculaire ontdekking van het tweede Reynaerthandschrift bekendmaakten in de KANTL te Gent. (Dat was op 15 januari 1908; blijkens het verslag wekte de bekendmaking onder het gehoor “algemeene beweging” en “levendige toejuiching”.) Nog weer later ging de ontzagwekkende Amsterdamse hoogleraar Hellinga met studenten op Reynaertexcursie naar het Waasland; zijn gids aldaar was de heemkundige autodidact broeder Aloïs. Het is mij hier in Antwerpen vandaag een eer om als Noord-Nederlander iets van die traditie van verbondenheid rondom de Reynaert te mogen voortzetten. De Reynaert verdient en verdraagt geen ravijn bij Roosendaal, om aan het scherpe beeld van Ludo Simons te refereren.

Intussen gaat die gemeenschappelijke liefde voor de Reynaert niet zonder hindernissen. Dat ligt niet aan de taal, maar aan de spraak. De Vlaming Jacob van Maerlant wist het omstreeks 1275 al, toen hij zijn Sinte Franciscus Leven schreef in opdracht van de minderbroeders te Utrecht – en zich bij voorbaat verontschuldigde:

Ende omdat ic Vlaminc ben
Met goeder herte biddic hem
Die dit in Dietsche sullen lesen
Dat si mijns ghenadich wesen
Ende [in het geval dat] lesen sire inne somich woort
Dat in haer lant es onghehoort.

750 jaar en heel veel geschiedenis en communicatie verder is het klaarblijkelijk nog onverminderd opportuun om twee edities van de Atlas van de Nederlandse taal te publiceren, een voor Nederland en een voor Vlaanderen – en erger nog: vinden onze omroepen het nodig om geïnterviewden van achter Roosendaal over en weer te ondertitelen. (Als ik mij wel herinner is het botte Holland hierin voorgegaan; dat dit van Vlaamse zijde om proportionele vergelding vroeg, kan ik volmaakt billijken.)

Ons spraakverschil speelt ook de Reynaert parten, want juist die Reynaert is een tekst die men moet horen – ik kan alleen maar hopen dat het zojuist niet te veel pijn aan uw oren deed dat u die Reynaert voorgedragen kreeg door iemand die overduidelijk van de verkeerde kant is. Veel beter luistert u dan ook naar de passage uit de Reynaert zoals voorgelezen door Frank Willaert op de app Vogala; ik verheug me er geweldig op dat ik Frank ga mogen begeleiden bij een integrale voordrachtsversie. En ook Tom Lanoye zou ik natuurlijk graag eens met de Reynaert horen.

De liefde tot de Reynaert lijkt wel elke Vlaming aangeboren. En zo niet, dan springt de school wel in, zo wil ik blijven hopen. (Misschien een aardig gesprek voor tijdens de receptie, en ik zie er zelfs een VRT-documentaire in: hoe heeft men de Reynaert leren kennen, en wat voelt men erbij?) Het Vlaamse Reynaertsentiment is ijzersterk. Misschien heeft men in Vlaanderen nog meer antenne voor het vrije individu in confrontatie met de opgeblazen macht. In elk geval is er de beroemde kleine scene – door Willem toegevoegd ten opzichte van de Oudfranse tekst – met het hofhondje Courtoys, die na de hoofdaanklacht van Izengrijn de wolf zo nodig moet gaan keffen om zoiets onbenulligs als een worst die Reynaert hem afhandig heeft gemaakt en die hij nota bene zelf voordien gestolen blijkt te hebben. Dat deze bespottelijke en tot mislukking gedoemde klacht ten hove in Franscoys wordt afgestoken, heeft Courtoys gemaakt tot de geliefdste figurant in heel de Vlaamse literatuur.

Ook dit heeft Maerlant al gezegd, in zijn debuut nog wel: elk prijst de streek waaruit men zelf afkomstig is. Uit dergelijk gezond patriottisme is in Sint-Niklaas in 1988 het blad Tiecelijn ontstaan, de nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap. Tiecelijn, de raaf die in de Reynaert diens aartsvijanden terwijl zij doende zijn bij de galg, komt informeren dat de rollen aan het hof zijn omgekeerd, en Reynaert meester-bottelgier is, opperschenker – maar nu verstaan als de vliegensvlugge boodschapper over hoe het met Reynaert gaat. Het “editoriaal” van nummer 1 maakt gul melding van de liefde tussen Reynaert en het Waasland, maar noemt de vos behalve Waaslander ook treffend wereldburger, en besluit met: “Tiecelijn wordt een contactfiguur tussen de literair-wetenschappelijke en de folkloristisch-toeristische Reynaertwereld. Deze kennismaking zal voor allen ongetwijfeld inspirerend werken.”

Zelden zal een beginselverklaring van een tijdschrift zo overtuigend zijn waargemaakt. De Tiecelijn die heel wel had kunnen blijven nestelen in lokaal struikgewas – ook al omdat hij met minieme middelen moest woekeren – is inmiddels een fiere raaf geworden en een welkome boodschapper bij iedereen die interesse in de Reynaert heeft, in Noord én Zuid.

Maar laat ik stoppen met gepingpong over het ravijn. Minstens zo belangrijk is dat het genootschap is ontstegen aan een andere tweedeling, die nog veel funester had kunnen uitpakken. Van oudsher en nog steeds vormt Reynaert een geliefkoosd erf voor zowel autodidacten als gearriveerde professoren, voor enthousiastelingen van de streek en studeerkamergeleerden. Tussen hen, de liefhebbers en de professionals, zou makkelijk een vete kunnen heersen zoals tussen de wolf en de vos, en in heel wat wetenschappen kennen beroeps en amateurs die ook. Maar rondom het kampvuur van de Reynaert vinden zij elkaar gelukkig nog. Dat zegt ongetwijfeld iets over de Reynaert, maar vooral over Tiecelijn, als postiljon naar beide. Zonder het Reynaertgenootschap en zijn blad zou de Reynaertstudie veel meer gepolariseerd zijn geweest, met onbegrip en energieverlies aan beide kanten.

Inmiddels zijn we 33 jaargangen gevorderd, en is de 34e vrijwel verschenen. Ruw op mijn boekenplank geschat zou ik denken aan minstens zevenduizend pagina’s, en pakweg duizend artikelen. En in steeds mooiere vormgeving; wie aflevering 1 legt naast de jongste, ziet het succes van het Genootschap glanzen.

En als we het Genoootschap prijzen, prijzen we natuurlijk in de aller-allereerste plaats Rik van Daele, medeoprichter van het Reynaertgenootschap en nu al 34 jaargangen onvermoeibaar hoofdredacteur van Tiecelijn. Hoofdredacteur – en zou ik zeggen hartredacteur, want hij is het kloppend hart van zowel het genootschap als het blad.

Secretaris Rik Van Daele (links) en voorzitter Yvan De Maesschalck (rechts van het Reynaertgenootschap na de ontvangst van de Visser-Neerlandiaprijs | Foto Jo De Rammelaere

Rik is, als ik goed zie, de enige Reynaerdist ter wereld die zowel in het Land van Waas als in de wetenschap zijn sporen met de Reynaert heeft verdiend. Hij heeft de wetenschap verrijkt met onder meer een belangwekkend en zeer afgewogen proefschrift, en een diepgravende studie over de Reynaertversies van Stijn Streuvels. Maar bovenal is hij de drijvende kracht geweest voor Tiecelijn en een hele waaier aan flankerende activiteiten en publicaties. Want zelfs in het zoete Land van Waas kan Reynaert niet zonder culturele makelaars en pleitbezorgers – en dat is Rik van Daele als geen ander, met wat inmiddels levenswerk is geworden en altijd liefdewerk is geweest. Na zoveel decennia onvermoeibaar ijveren voor Vanden vos Reynaerde beschouw ik de verlening van deze eervolle prijs dan ook als een daad van eenvoudige rechtvaardigheid, en ben ik blij voor Reynaert én voor Rik.

Frits van Oostrom is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij werkt in deze jaren aan het boek Rondom de Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk.
Contact: f.vanoostrom@uu.nl

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2021/4.

Naar boven