Geheugenknoop, kennisgebrek, verstrooidheid of nonchalance?

Meerdere verklaringen voor fout gespelde werkwoordvormen

Peter Debrabandere & Dominiek Sandra

Op begrip kunnen fouten tegen de regels van de werkwoordspelling niet rekenen. Integendeel, voor velen zijn het taalfouten van het zwaarste type. Ze hebben ook hun eigen naam en worden geassocieerd met domheid en nonchalance. Niet geheel ten onrechte, al belemmert het stigma het zicht op belangrijke aspecten van ons leervermogen.

De veroordeling verklaard

Ruwweg kunnen we weetwoorden van regelwoorden onderscheiden. Weetwoorden moet je onthouden (kwadrant, querulant). Voor regelwoorden zijn er regels, zodat je de spelling van de afzonderlijke woorden niet hoeft te onthouden (klinkerbotsing: toe-eigenen, tatoeëren, zee-egel, zeeën; aaneenschrijven: ad-hocbeslissing, 50 eurobiljet, langetermijngeheugen; werkwoordvormen: het is gebeurd, het gebeurt). Fouten tegen weetwoorden worden makkelijker getolereerd, want we aanvaarden dat ons geheugen kan falen. Er is vaak ook begrip voor fouten tegen weinig toegepaste of complexe regels (bv. aaneenschrijven), want ons geheugen heeft het ook daarbij lastig.

Er is een verschil tussen hoe we denken te schrijven en hoe we effectief schrijven

Maar voor fouten tegen de regels van de werkwoordspelling is er maar weinig begrip. De meeste fouten komen voor bij homofone (gelijkluidende) vormen: verschillend gespelde maar gelijk klinkende vormen van hetzelfde werkwoord (word en wordt of gebeurt en gebeurd) of van verschillende werkwoorden (went, wend en wendt of wijt, wijd en wijdt). Die homofonie leidt zelfs tot spelfouten als er eigenlijk geen homofonie in het spel is (geleeft, gedroomdt, speeld). Dat we makkelijk twijfelen bij homofonen als rauw/rouw of peiler/pijler, valt te begrijpen. Je moet voor elke betekenis de juiste vorm onthouden. Maar bij homofone werkwoorden is de spelling gebaseerd op grammaticale kenmerken (word tegenover wordt) en dus op regeltoepassing. Dan verwacht je geen problemen. Van buiten leren heeft geen zin, want er is nauwelijks betekenisverschil. Zo is het oordeel snel geveld: wie regelwoorden fout schrijft, kent de regels niet of past ze nonchalant toe. Maar kennisgebrek of nonchalance willen we niet als model naar voren schuiven. Een verklaring is nog geen legitimatie. Omgekeerd verraadt een ongenuanceerde veroordeling vaak een gebrekkig inzicht in de oorzaken.

De spelfouten verklaard

Onderzoek heeft aangetoond dat mentale factoren spelfouten tegen homofone werkwoordvormen verklaren. De meeste werkwoordvormen worden op basis van hun uitspraak gespeld (is, kan, moet). Daardoor hoeven we de regels weinig toe te passen: slechts in 5 à 10 gevallen op de 100 schrijven we vormen als word of wordt, gebeurt of gebeurd. Daardoor worden de regels niet geautomatiseerd. Dat lijkt geen probleem – je kan tijd nemen om na te denken – maar er is een verschil tussen hoe we denken te schrijven en hoe we effectief schrijven. We concentreren ons op inhoud en formulering. We willen onze gedachten snel opschrijven. Maar we moeten óók op de spelling letten. En dat is vervelend, want de vormdetails eisen aandacht, terwijl we met inhoud bezig zijn. Daarom is automatisering van de spelling zo belangrijk. Als we (te) snel schrijven en/of als er veel woorden staan tussen het onderwerp en de werkwoordvorm, raakt ons werkgeheugen in de war en selecteert ons langetermijngeheugen de frequentste spelvorm. Zo verschijnt makkelijker wordt dan word en makkelijker gebeurd dan gebeurt. Als je dan de laagfrequente vorm moet schrijven, leidt dat snel tot een spelfout. Ook bij het nalezen worden we door die frequentiefactor misleid.

Het toetsenbord als struikelblok

We zijn dus te weinig getraind (want de regel hoeft maar in een beperkt aantal gevallen toegepast te worden) en worden op het verkeerde been gezet door de frequentste vorm uit een reeks homofonen. Dat werkwoorden vaak fout gespeld worden, verwondert dus niet. Het is bovendien best mogelijk dat frequentie ook een rol speelt bij de motorische uitvoering, namelijk bij het tikken van vaak voorkomende lettercombinaties. Zo wijst onderzoek uit dat de frequentie van bepaalde lettercombinaties de tijd tussen de toetsaanslagen bepaalt. Het kan verklaren waarom we geneigd zijn om sommige combinaties van twee of meer letters als een geautomatiseerde handeling te tikken. Motorisch geautomatiseerde lettergroepjes leiden ook buiten de werkwoordspelling makkelijk tot fouten, bv. als zijn willen i.p.v. als zij willen (omdat zijn een vaak gebruikt woord is) of heb jijn i.p.v. heb jij (omdat ijn een frequente combinatie is). Zo is het best mogelijk dat niet alleen de woordfrequentie (wordt), maar ook de frequentie van de lettercombinatie rdt, ordt of wordt tot spelfouten leidt.

Types spellers

Het beeld van de speller die struikelt door de storende invloed van de meer vertrouwde spelvorm, kan niet alle fouten verklaren. Dat is het beeld van de speller die de regels beheerst, maar door mentale misleiding en soms ook motorische interferentie gedwarsboomd wordt. Uit onderzoek en eigen ervaringen weten we dat bij sommige spellers fouten ontstaan door een gebrekkig grammaticaal inzicht. Je moet namelijk de grammaticale functie van nogal wat werkwoordvormen (en ervan afgeleide vormen) en van woorden als je en u kunnen herkennen om werkwoorden correct te kunnen spellen: gebeurt tegenover gebeurd, word je geholpen? tegenover wordt je die kans geboden?, verlichtte als persoonsvorm tegenover verlichte als verbogen adjectief. Het falen van deze spellers moet niet gezocht worden bij de beperkingen van hun werkgeheugen.

We zijn te weinig getraind en worden op het verkeerde been gezet door de frequentste vorm

Studies hebben aangetoond dat de vaardigheid om een juiste grammaticale analyse te maken, samenhangt met de theoretische oriëntatie van de studierichting (VL) of het onderwijsprofiel (NL). Hoe beter leerlingen de grammaticale functie van een werkwoordvorm kunnen bepalen, hoe meer kans dat ze die vorm correct spellen. Veel homofoonfouten ontstaan dus ook door een slecht grammaticaal bewustzijn.

Bij sommige spellers ontstaan fouten niet door verkeerde grammaticale analyses, maar omdat ze de spellingregels niet kennen. Bij een test onder 16- tot 18-jarige leerlingen (aso en tso, vergelijkbaar met vwo en havo) bleken velen niet in staat om van zes vaak voorkomende werkwoorden de drie enkelvoudsvormen van de onvoltooid tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord correct te spellen, hoewel ze daarvoor voldoende denktijd kregen en ze alleen maar een lijstje hoefden in te vullen.

We stellen vast dat veel studenten aan de hogeschool en de universiteit fouten maken tegen de werkwoordspelling. Zelfs in examenopgaven waarin studenten in de lerarenopleiding in tien zinnetjes telkens één werkwoordvorm eindigend op ‑d, ‑t, ‑dt, -de, -dde, -te of -tte moeten invullen, zijn er tot in het laatste opleidingsjaar toe nog steeds studenten die drie of meer fouten maken.

Veel fouten ontstaan door een slecht grammaticaal bewustzijn

Spelfouten tegen de werkwoorden worden dus veroorzaakt door: (1) mentale processen die de werking van het geheugen storen, eventueel in combinatie met motorische interferentie, (2) gebrek aan grammaticaal bewustzijn en (3) gebrek aan regelkennis. De eerste foutenbron veroorzaakt zelfs bij goede spellers occasionele spelfouten. De andere twee oorzaken zijn een belangrijke factor in het onderwijs. De problemen blijven zich voordoen tot in de laatste twee jaar van de middelbare school (onderzoek) en tot het einde van een opleiding aan de hogeschool of universiteit (eigen ervaringen) ondanks de stigmatisering van de fouten in het onderwijs.

De spellingchecker als digitale speller

De spellingchecker van Word en andere computerprogramma’s speelt wellicht ook een grote rol in het spellingsgedrag. Dat biedt voordelen en de angst dat jongeren niets meer leren, is globaal onjuist. Toch lijkt het gebruiksgemak van dit hulpmiddel minder aandacht voor correcte spelling in de hand te werken. De spellingchecker zal het wel doen. Vervolgens heeft onderzoek aangetoond dat zwakke spellers zich er afhankelijker van maken en er ten onrechte van uitgaan dat hij alle spelfouten corrigeert. Spelling­checkers kunnen geen homofonen (bv. 3e persoon onvoltooid tegenwoordige tijd, voltooid deelwoord) corrigeren omdat ze een zin niet grammaticaal kunnen ontleden.

Conclusie

Werkwoordhomofonen zijn de schrik van elke speller. Bij velen bestaat een nultolerantie voor fouten ertegen omdat de regels descriptief zo duidelijk zijn, jong aangeleerd worden en veel (hoewel minder dan vroeger) onderwijsaandacht krijgen. Toch zijn die fouten hardnekkig. Bij goede spellers is dat het resultaat van de werking van ons mentaal systeem. De regels zijn helder, maar door frequentiefactoren en beperkingen van ons werkgeheugen niet aangepast aan dat systeem. Occasioneel kunnen ook motorische automatismen bij het typen als stoorzender optreden. Bij zwakke spellers zijn de oorzaken van de spelfouten echter ook toe te schrijven aan hun gebrekkig grammaticaal bewustzijn en hun gebrek aan de kennis van de regels zelf. Daarnaast speelt de spellingattitude – meer of minder tolerantie voor de fouten – een rol. Ook een overdreven vertrouwen in spellingcheckers (met daaruit volgend een terugloop van de onderwijsaandacht voor spellingvaardigheid) dreigt de problemen verder in de hand te werken. Het is denkbaar dat bij zwakke spellers verschillende van die factoren elkaar versterken.

Peter Debrabandere is docent Nederlands, Duits en copywriting aan de katholieke Hogeschool VIVES, Brugge. Hij is hoofdredacteur van Neerlandia.
Contact: peter.debrabandere@scarlet.be

Dominiek Sandra is hoogleraar Taalkunde en Psycholinguïstiek aan de Universiteit Antwerpen. Hij is verbonden aan het Centre for Computational Linguistics and Psycholinguistics (CLiPS).
Contact: dominiek.sandra@uantwerpen.be

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2021/3.

Naar boven