Het magazijn van de wereld:

boekhandel in de Gouden Eeuw

Paul van Velthoven

Een vergeten aspect van de 17e-eeuwse bloei in de Republiek der Zeven Provinciën was het boekenbedrijf. Het was niet alleen een uiterst florerende handelstak, maar ook een bron van trots.

Titelpagina van de Atlas Maior van Willem en Johannes Blaeu (uitgave 1645) | Bron

Een kleine anderhalve eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst vormde het Holland van de 17e eeuw en ook nog lang daarna het centrum van de wereldhandel in boeken. Dat leren wij uit het boeiende onderzoek van de Schotse onderzoekers Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen naar het gebruik van het boek in het dagelijks leven in de Republiek en naar de lucratieve handel die daarop volgde. Met een inwonertal van hooguit 2 miljoen mensen werden in de Republiek per hoofd van de bevolking driemaal zoveel boeken uitgegeven als in de buurlanden, concluderen zij na uitgebreid onderzoek in archieven en bibliotheken. Het moeten er zo’n driehonderd miljoen zijn geweest. Boeken waren zeker niet alleen voor de elite een zaak van belang, het bijzondere van de situatie in de Republiek was nu juist dat ook de doorsnee ambachtsman of winkelier per jaar minstens drie boeken kocht. Ze waren dan ook niet bijzonder duur. Een boek kostte doorgaans een stuiver, wat ook de prijs was van een pul bier. Intellectuelen hadden gemakkelijk soms wel duizenden boeken in hun bezit, soms meer dan een universiteitsbibliotheek. Het leeuwendeel van de boeken was bestemd voor de binnenlandse markt. Kook- en gebedenboeken scoorden zeer hoog, maar omdat ze dagelijks gebruikt werden, zijn er maar betrekkelijk weinig overgebleven. Dat gold minder voor ontspanningslectuur. Die werd vaak verlucht met hout- of kopergravures en sloeg aan bij een breed publiek dat geïnteresseerd was in nieuw ontdekte landen en vreemde avonturen.

Met een inwonertal van hooguit 2 miljoen mensen werden in de Republiek per hoofd van de bevolking driemaal zoveel boeken uitgegeven als in de buurlanden

Een apart onderdeel van de drukkersactiviteiten waren grote wetenschappelijke uitgaven, die gretig aftrek vonden in het buitenland en soms alleen in de Republiek konden worden uitgegeven. Zo bracht Elzevier in 1638 Galileo Galilei’s Duo Nove Scienze op de markt, nadat het in Italië door een publicatieverbod was getroffen. De drukkunst op zich maakte ook grote vorderingen. Zeer succesvol waren de edities van klassieke auteurs in duodecimoformaat die Elzevier voor de Latijnse scholen op de markt bracht en die overal in Europa gewaardeerd werden. Het fraaiste voorbeeld van innovatieve drukkunst is nog altijd de grote Atlas Maior van Johan Blaeu, die tussen 1662 en 1672 werd uitgegeven en met behulp van 594 kaarten de hele toenmalige wereld in kaart bracht. Het omvangrijke werk verscheen in vijf edities (Latijn, Nederlands, Frans, Duits en Spaans) en er waren negen hoogdrukpersen en zes diepdrukpersen voor nodig om het te maken. De kennis van meer dan honderd jaar opgebouwde cartografie was daarin verwerkt. Blaeu, die exemplaren van de atlas stuurde naar de Franse koning en de Duitse keizer, zong daarin de lof van de Republiek, waarvan de landslieden zo’n groot project mogelijk hadden gemaakt.

Een geletterde bevolking
Onmisbare voorwaarde voor de bloei van het boek was dat een groot deel van de inwoners niet alleen geletterd genoeg was om te kunnen lezen en schrijven, maar ook behoorlijk geschoold was in allerlei zaken. Pettegree en Der Weduwen twijfelen er niet aan dat de Republiek in de 17e eeuw de hoogst ontwikkelde samenleving van Europa was. Ze had aan het einde van de 16e eeuw bovendien geprofiteerd van de enorme stroom getalenteerde immigranten uit de zuidelijke gewesten, die op de vlucht voor de geloofsvervolging van de Spanjaarden een goed heenkomen hadden zochten in het bevrijde Noorden. Een van de opvallendste was Louis Elzevier, die afkomstig was uit Leuven, bij Christoffel Plantijn in Antwerpen gewerkt had en in 1580 in Leiden zijn geluk beproefde en daar opklom tot drukker van de pas opgerichte universiteit. Een eeuw laten bestierden zijn nazaten het grootste uitgevershuis van de Republiek.

Het waren deze zuiderlingen die sterk bijdroegen aan het ontstaan van de zo bijzonder dynamische samenleving die de Republiek zeker in de eerste helft van de 17e eeuw was. Zij had een bijzonder machtige vijand klein gekregen, maar wekte bij de grote buren al snel jaloezie nu ze met haar succesvolle handelsactiviteiten de grote buurlanden de pas dreigde af te snijden. Toen de Spaanse vijand definitief verslagen was, stond het onderwijs in de Republiek op een bijzonder hoog peil. De nieuwe natie kon bogen op 5 universiteiten, 15 illustere scholen en 92 Latijnse scholen. Daar werd de elite van de statenbond opgeleid: de regenten, juristen, predikanten en artsen. Nieuwe vakken als wiskunde, landmeetkunde en boekhouden werden daar voor het eerst in het hoger onderwijs gedoceerd naast traditionele onderwerpen als theologie en de bestudering van de klassieken. Voor al dat onderwijs moest het benodigde lesmateriaal worden ontwikkeld. Het bezorgde drukkers en uitgevers veel werk. Ook wie niet tot de elite behoorde en alleen maar wilde leren lezen, schrijven en rekenen, kwam door scholen die soms gratis toegankelijk waren, aan zijn trekken. De Cijfferinghe van meester Bartjens werd een rekenmethode die talloze malen werd herdrukt of straffeloos geplagieerd.

Publiek debat
Dankzij deze brede scholing konden de regenten, de zelfverkozen bestuurders in de steden en gewesten, hun beslissingen niet alleen via de stadsomroeper bekendmaken maar ook met plakkaten en pamfletten. Kritiek kwam vaak in dezelfde vorm terug en samen vormde dat een continue stroom van drukwerk. Kranten behoorden daar ook toe. De eerste werd na de terechtstelling van de oud-raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt op het Binnenhof in Den Haag in 1619 door de Amsterdams courantier Broer Jansz. uitgebracht. In die periode maakte de Republiek haar eerste grote bestaanscrisis door. Een burgeroorlog tussen staats- en Oranjegezinden kon maar ternauwernood worden voorkomen. De strijd tussen hen uitte zich in een onnoemelijke hoeveelheid boeken en schotschriften. Gedrukte informatie was overigens ook voor de kooplieden van groot belang. De wereldwijde handel die de welvaart van de Republiek mogelijk maakte, was er mede van afhankelijk. Er blijken niettemin maar betrekkelijk weinig kranten bewaard te zijn gebleven. Ze werden niet gearchiveerd en massaal weggegooid. De meeste hebben Pettegree en Der Weduwen in buitenlandse bibliotheken teruggevonden.

Toen de Spaanse vijand definitief verslagen was, stond het onderwijs in de Republiek op een bijzonder hoog peil

Uiteraard besteden de auteurs ook aandacht aan de literaire productie in de 17e eeuw. Hoe hogelijk gewaardeerd auteurs als Vondel, Brederode en Cats in hun tijd ook waren, ze konden niet meeliften toen de Republiek in het laatste kwart van de 17e eeuw uitgroeide tot het centrum van de wereldhandel in boeken. De taal was daar natuurlijk op de eerste plaats debet aan, ook al kende ze door de vele handelsactiviteiten een aanzienlijke verspreiding. Wat Pettegree en Der Weduwen steeds aanschouwelijk maken, is hoe de boeken in de samenleving van de Republiek functioneerden: waar vroeg het onderwijs om, hoe gebruikten de regenten het, zowel in het stadhouderloze tijdperk, toen de regenten de macht voor zichzelf hadden en zij de teugels van de censuur (die er wel degelijk was) lieten vieren, maar ook toen de Oranjes na het rampjaar 1672 een deel van hun macht herkregen? Zo komen de auteurs ertoe parallel aan het functioneren van het boek op de achtergrond in grote lijnen de geschiedenis van de Republiek en haar positie in de wereld te schetsen. Dat maakt het boek extra aantrekkelijk. Voor wat de literaire auteurs betreft, wordt op de eerste plaats aandacht geschonken aan hun politieke of/en maatschappelijke uitstraling. Vondel, die met zijn onderhuidse aanval op prins Maurits – hij tekende Van Oldenbarnevelds doodvonnis – in het vele malen herdrukte Palamedes een gevierd auteur werd, en Cats die bijzonder populair werd als de treffende beschrijver van het Hollandse Houwelick.

Verboden boeken
Censuur kwam voor, maar als de ene stad een boek verbood, kon het vaak in een andere alsnog gewoon verschijnen. Het privilege dat de Staten Generaal aan auteurs verleende om hun copyright te beschermen, kon dat lang niet altijd voorkomen. Hoe vrij er ook geschreven en gedacht mocht worden, auteurs die geloof en zeden openlijk ter discussie stelden, konden in de gevangenis belanden. Maar niet de drukkers/uitgevers. Uitgevers als Elsevier en Janssonius, om de belangrijkste te noemen, waren zeer succesvol in de markt die zij creëerden door boeken uit intellectuele centra in Europa te importeren en via catalogussen weer door te verkopen aan geïnteresseerden in allerlei landen. Verboden boeken werden in deze catalogussen gewoon apart vermeld. Deze drukkers vervulden daardoor een belangrijke rol in de verspreiding van nieuwe ideeën. Voltaire, die zijn eerste boek in de Republiek liet uitgeven om censuur in eigen land te voorkomen, kon in een brief uit Den Haag in 1704 verrukt schrijven dat hij in Amsterdam het “magazijn van de wereld” (“le magasin de l’univers”) had ontdekt nadat hij de boekhandels in de stad had bezocht en de catalogussen had bekeken die voor de openbare verkoping van boeken werden opgesteld.

Verboden boeken werden in deze catalogussen gewoon apart vermeld. Deze drukkers vervulden daardoor een belangrijke rol in de verspreiding van nieuwe ideeën

Amsterdam was niet alleen voor exotische waren en andere zaken die elders werden geproduceerd, tot een stapelplaats uitgegroeid, maar ook voor het boek. Het meest bijzondere specimen van deze boekhandelspraktijk was de in 1674 door Daniël Elzevier uitgebrachte catalogus in duodecimoformaat. Het achthonderd pagina’s tellende boekje omvatte ruim achttienduizend titels in allerlei talen behalve het Nederlands. Het was een kostbaar kleinood dat in veel buitenlandse bibliotheken zou worden gekoesterd. Maar deze wereldwijde invloed van de Hollandse boekverkopers had ook zijn keerzijde. Hoewel de boekenbranche sterk bleef in de 18e eeuw, drongen de grote buurlanden Frankrijk en Engeland rond de eeuwwisseling de Republiek steeds meer in het defensief. De regenten gingen op hun lauweren rusten en durfden hun tegenstrevers niet langer naar de kroon te steken.

Een samenhangend verhaal over de rol van het boek en de boekhandel in de Republiek was nog niet eerder op zo’n aanstekelijke wijze verteld. Puttend uit de onvoorstelbaar grote hoeveelheid bestaande detailstudies over het boekenvak, maar ook op basis van eigen onderzoek hebben Pettegree en Der Weduwen een lacune gevuld in de successtory van Hollands gouden eeuw.

Andrew Pettegree & Arthur der Weduwen (Nederlandse vertaling Frits van der Waa), De boekhandel van de wereld: Drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw, Atlas Contact, Amsterdam, 2019, ISBN    978 90 450 3499 7, 608 pp. Prijs: € 39,99.


Paul van Velthoven was o.a. Nederlands correspondent bij Le Monde en De Standaard. Hij is lid van de redactie van Neerlandia.
Contact:
paulvanvelthoven@kpnmail.nl

Deze recensie werd gepubliceerd in Neerlandia 2021/2.

Naar boven