Nederlanders doen het met een mannetje minderĀ 

Miet Ooms & Freek Van de Velde 

Het Nederlands heeft een uitdrukking die je kunt gebruiken wanneer de opkomst bij een evenement niet veel voorstelt. Die uitdrukking bevat: een aantal mannen en een paardenkop. Hoeveel mannen? Dat varieert. Sommige mensen houden het op twee man en een paardenkop, anderen spreken van drie man en een paardenkop of vijf man en een paardenkop. En er zijn mensen die alleen de uitdrukking anderhalve man en een paardenkop kennen.  

Meestal wordt niet het meervoud mannen gebruikt in deze uitdrukking, maar het meervoud man. Dat laatste is wel degelijk ook een meervoudsvorm. In de historische taalkunde noemen we dit een wortelnomen (zie Van Bree, 1987, p. 240). Hoe zit dat nu? Hoeveel mannen mogen er meedoen in deze uitdrukking? De variant met anderhalf heeft historisch gezien de beste kaarten. Als je de oorsprong van de uitdrukking kent, is het ook de meest logische. Die origine gaat immers terug op een anekdote die we in de kluchten van Tijl Uilenspiegel aantreffen (zie Harrebomée, 1990, p. 436), maar die in verschillende volksvertellingen de ronde gedaan moet hebben. Uilenspiegel krijgt bezoek van een vreemdeling te paard. De schelm doet de deur open. Meer bepaald het bovenste deel van een deur in twee delen, zoals je tegenwoordig nog wel ziet in paardenstallen. De man steekt z’n hoofd door het deurgat, zonder van z’n paard te stappen, en vraagt aan Uilenspiegel hoeveel mensen er thuis zijn. Die antwoordt naar waarheid: “anderhalve man en een paardenkop”, te weten: hijzelf, de halve man door het deurgat, en natuurlijk het paardenhoofd. De man is helemaal in de war van dit antwoord. 

Maar de historisch correcte vorm hoeft natuurlijk niet de enige ‘juiste’ versie te zijn. Historisch gezien zit er ook op andere uitdrukkingen wat variatie. Enkele voorbeelden: Haring of kuit staat naast hom of kuit. Is het twaalf ambachten of twaalf stielen en dertien ongelukken? Welk werkwoord hoort bij uit het lood: slaan of hangen? Bij P.C. Hooft is het zelfs wijken, en in het Middelnederlands is het buten den lode gaen (Stoett, 1923-1925, p. 570). De uitdrukking iemand een hart onder de riem steken vinden we in het Middelnederlands terug als enen een herte in ’t lijf spreken, enen ’t herte waken, enen een herte geven (Stoett, 1923-1925, p. 324). Dus ja, waarom geen twee man, drie man of vijf man en een paardenkop? Dat klopt niet meer met het verhaaltje van Uilenspiegel, maar wat hindert dat? We weten ook niet meer waarom we boter aan de galg zeggen, maar de uitdrukking blijven we wel gebruiken.  

Doet iedereen dan maar wat? Nee, dat ook weer niet. Er zijn duidelijke verschillen. Je vindt de varianten met anderhalf, twee, drie en vijf over het hele taalgebied, maar Nederland heeft een voorkeur voor anderhalf, terwijl Vlaanderen nogal soepel andere getallen gebruikt. Daar kom je achter als je corpusonderzoek doet, of een online enquête. 

Grafiek 1: de verdeling in het Open SoNaR corpus (totaal 110 observaties) 
Grafiek 2: de verdeling in het Open SoNaR corpus van de meest voorkomende varianten: anderhalf, twee en drie (totaal 66 observaties)

We beginnen met het corpusonderzoek. Open SoNaR is een corpus, een verzameling teksten dus, met ruim vijfhonderd miljoen woorden. De uitdrukking X man en een paardenkop komt daar 110  keer in voor (plus nog vier gevallen waarin niet man staat, maar iets anders: bejaarden, huizen, maffiosi, en Jan Breidels). Mensen kunnen ook creatief zijn met uitdrukkingen. De resultaten kun je zien in grafiek 1 en 2. De oppervlakte van de tegels is evenredig aan het aantal observaties. 

De resultaten uit de online enquête laten hetzelfde beeld zien. We hebben antwoorden van 839 mensen uit Nederland en België, maar daar moeten we nog een paar mensen aftrekken die de uitdrukking helemaal niet kennen, of mensen die variëren in hun antwoord. Dat levert ons uiteindelijk 792 antwoorden op. De voorkeursvariant is met symbooltjes weergeven op de kaart. Er zit een duidelijke Noord-Zuidverdeling in, die bevestigt wat we in het corpusonderzoek zagen: Nederlanders gebruiken overwegend anderhalf, en in tweede instantie twee; Vlaanderen heeft een voorkeur voor twee en drie. Nederland doet het gemiddeld genomen dus met een halve of een hele man minder in de uitdrukking. 

De voorkeursvarianten in Nederland en Vlaanderen

Interessant is dat de enquête ook informatie over leeftijd en gender bevat. Uit sociolinguïstisch onderzoek weten we dat lopende taalveranderingen te zien zijn in de verschillen tussen sprekers van verschillende leeftijden. Oudere mensen hebben het taalgebruik van hun jeugd ‘bevroren’ of zijn althans niet zo ver meegegaan in de verandering als de jongeren. Met een term van de beroemde taalkundige William Labov heet dat de schijnbare-tijd-hypothese (apparent-time hypothesis) (zie o.a. Sankoff & Blondeau, 2007). Als we in de X man en een paardenkop inderdaad te maken hebben met een verandering, dan verwachten we dat ook te zien in de verdeling over de leeftijdsklassen. Voor leeftijd hebben we vijf leeftijdsgroepen (antwoorden van tieners hebben we eruit gelaten, omdat het er maar negen waren, te weinig om er iets zinvols over te zeggen). De trend voor leeftijd is goed te zien in grafiek 3: hoe ouder je bent, hoe groter de kans dat je nog anderhalf zegt.  

Grafiek 3: de varianten volgens leeftijd 

Literatuur 

  • Harrebomée, P.J. (1990 [1858-1863]). Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal. Hoevelaken: Verba. 
  • Sankoff, G. & Blondeau, H. (2007). Language Change across the Lifespan: /r/ in Montreal French. Language, 83 (3), 560-588. 
  • Stoett, F.A. (1923-1925). Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. (4e dr.). Zupthen: W.J. Thieme & Cie. 
  • Van Bree, C. (1987). Historische Grammatica van het Nederlands. Dordrecht: Foris. 

Miet Ooms is zelfstandig vertaler, expert in taalvariatie, columnist bij VRT Taal en auteur van Buurtaal: Praktische gids voor het Nederlands in België en Nederland. Ze schrijft, spreekt en geeft webinars over de variatie in het Nederlands. Op haar website taalverhalen.be publiceert ze taalkaarten en bijbehorende duiding.  
Contact: miet@webred.be 

Freek Van de Velde is onderzoeksprofessor van het Bijzonder Onderzoeksfonds en hoofddocent Nederlandse taalkunde en historische taalkunde aan de KU Leuven. Hij is verbonden aan de onderzoeksgroep kwantitatieve lexicologie en variatielinguïstiek. Hij is lid van de redactie van Neerlandia. 
Contact: freek.vandevelde@kuleuven.be

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2021/1.

Naar boven