Mag God nog een Heer zijn?

Woord vooraf in Neerlandia 2020/4

Peter Debrabandere

In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV21), die volgend jaar op initiatief van het Nederlands en het Vlaams Bijbelgenootschap verschijnt, blijft God een man. De NBV21 is de herwerkte versie van de NBV, de Bijbelvertaling uit 2004. Het is de meest gebruikte versie van de Bijbel in het Nederlandse taalgebied. 

Sommige Nederlandse predikanten vinden het kwalijk dat God in de NBV21 als een man gezien wordt en de Heer genoemd wordt. Ze vinden het niet correct dat het kenmerk mannelijkheid aan God gekoppeld wordt. De voor God gebruikte voornaamwoorden krijgen weer een hoofdletter, waardoor volgens sommige critici mannelijkheid weer van hoofdletters voorzien wordt. 

Maar hoe zit het eigenlijk met de woorden heer, man en vrouw. Hoe mannelijk en vrouwelijk zijn die woorden? Als we met het woord Heer naar God verwijzen, is dat dan echt bedoeld om in God een mannelijk wezen te zien? Ik ben niet onderlegd om een theologisch gefundeerd antwoord te geven op die vraag. Maar ik kan wel voor enkele taalkundige achtergronden zorgen. En die zijn wellicht minstens zo interessant. 

Het woord heer is oorspronkelijk helemaal geen zelfstandig naamwoord. Het woord is ontstaan uit Oudhoogduits hēriro, hēroro, de vergrotende trap van hēr ‘oud, waardig, belangrijk’. Dat is gebeurd in navolging van het Latijn, waar senior de vergrotende trap is van senex ‘oud’. Uit Latijn senior zijn Frans seigneur, monsieur, sire, Spaans señor, Italiaans signore ontstaan. Dat bijvoeglijk naamwoord hēr kon zelfs ook gewoon op vrouwen slaan, zo blijkt uit een 13e-eeuws Middelnederlands (maar misschien toch eerder Middelhoogduits) tekstfragment met daarin die urowe here ‘de voorname vrouw’. 

Het Oudhoogduitse hēriro, hērro had een veel ouder Germaans woord frō verdrongen, dat ‘heer’ betekende. Frō was ontstaan uit het Proto-Germaanse *frawan- ‘heer, voorname man’ en van dat *frawan- is de afleiding *fraw-jōn- ‘voorname vrouw’ gevormd, waaruit Nederlands vrouw en Duits Frau ontstaan zijn. 

Vervolgens valt ook over de vermeende mannelijkheid van het woord man wel wat te zeggen. Het betekende oorspronkelijk ‘menselijk wezen’ en niet ‘mannelijk wezen’. In het Engels man, mankind is dat nog altijd zichtbaar, en ook in het Nederlandse men en het Duitse man ‘iemand in het algemeen’. Dat woord man ‘menselijk wezen’ zit ook in iemand. In het Nederlands kun je vandaag nog steeds man gebruiken om zonder onderscheid van geslacht naar iemand te verwijzen: we missen een vierde man (in het kaartspel), als de nood aan de man is, de gaande en komende man. En in die betekenis is man ook meervoud: tien man. Het Franse on (= Nederlands men) is overigens ook ontstaan uit homme ‘mens’ (en niet ‘man’).  

Ten slotte moet ook nog opgemerkt worden dat mens ontstaan is uit man. Aan man ‘menselijk wezen’ werd namelijk het achtervoegsel *-iska gehangen om er een bijvoeglijk naamwoord van te maken: *manniska ‘de mens betreffend, menselijk’. En door de i in de tweede lettergreep ontstond een umlaut (klankverschuiving) van a naar e, zodat mennisc en vervolgens mensch en nog later mens ontstond. Het is nu een zelfstandig naamwoord. De s in mens is dus vergelijkbaar met de s in boers en volks

Peter Debrabandere is docent Nederlands, Duits en copywriting aan de Katholieke Hogeschool VIVES, Brugge. Hij is hoofdredacteur van Neerlandia.
Contact: peter.debrabandere@scarlet.be

* Met een asterisk wordt een gereconstrueerde woordvorm aangeduid. 

Dit voorwoord werd gepubliceerd in Neerlandia 2020/4.

Naar boven