Wil je uw mond ‘ns kuisen

Tussentaal en standaardtaal aan de Vlaamse eettafel

Auteurs: Lars Naborn, Dorien Van de Mieroop & Eline Zenner

Zo zou het er op een doordeweekse avond bij een doorsneegezin in Vlaanderen aan toe kunnen gaan:

  1. Moeder: Kindjes, nog even jullie handen wassen, hè!
  2. Vader: Zeg moeder, hebt ge die kaartjes voor morgen al gekocht?
  3. Moeder: Nee, just! Da(t) ga’k seffes rap doen dan.
  4. Vader: Dat is voor jouw klas, he, Ella. Gaan uw vriendjes nu mee of nie(t)?
  5. Ella: Ik denk (h)et?
  6. Vader: Hebde trouwens uw bord al gepakt, Ella?
  7. Vader: En, Louis, zijn je handen nu al gewassen?
  8. Louis: Ja!
  9. Vader: Ben je zeker? Ik zie nog een grote vlek op uw (h)and! Komt ‘ns rap (h)ier!
  10. Louis: Ist vlekske nu weg, papa?
  11. Vader: Ja, en nu aan tafel!
  12. Moeder: Wie wil er patatjes?
  13. Louis: Ikke!
  14. Vader: Wat zeg je daar, Louis?
  15. Louis: Alsjeblieft, mama. 1)

Socialisering

Het fragment hierboven illustreert hoe gesprekken aan de eettafel er bij gezinnen met jonge kinderen in Vlaanderen vaak uitzien. Zulke eettafelmomenten kunnen we doorgaans karakteriseren als een multiactiviteit: verschillende onderwerpen en handelingen lopen door elkaar, van tafel dekken over concertkaartjes bestellen tot handen wassen voor het eten. Die waaier aan activiteiten en onderwerpen maakt van de eettafel de plek bij uitstek om aan socialisering te doen: ouders leren kinderen er wat in hun gemeenschap als ‘correct’ of sociaal begunstigd gedrag geldt. Dat kan om handhygiëne gaan – we wassen onze handen voor we aan tafel gaan – maar ook om beleefdheid – we zeggen alsjeblieft wanneer we iets vragen.

Talige socialisering

Beleefd alsjeblieft zeggen is maar één voorbeeld van talige socialisering. Talige socialisering is een brede term voor alle vormen van socialisering die specifiek inzetten op het aanleren van de taalnormen en -gebruiken in een gemeenschap. Ouders zorgen er zo niet alleen voor dat hun kinderen nieuwe woorden en grammaticale regels verwerven, maar ze helpen hun kinderen ook om allerlei sociale regels onder de knie te krijgen die met taalgebruik te maken hebben. Het aanleren van acceptabel taalgebruik omvat zo naast beleefd spreken ook duidelijk articuleren, op het juiste moment de beurt nemen en niet vloeken. Wat veel mensen echter niet beseffen, is dat ouders in hun talige socialisering kinderen ook (grotendeels onbewust) aanleren welke taalvariëteiten in welke situaties het meest gepast zijn. De Vlaamse taalsituatie is een perfecte plaats om die talige socialisering van variëteiten te bestuderen.

Waarom Vlaanderen?

De taalsituatie in Vlaanderen is interessant vanwege de spanning tussen standaardtaal en tussentaal. In tegenstelling tot in Nederland, waar de standaardisering al van start ging in de Hollandse Gouden Eeuw, kenmerkte de standaardisering in Vlaanderen zich door een vertraging. Door het overwicht van het Frans in het publieke leven in de Vlaamse regio ging het standaardiseringsproces uiteindelijk pas echt van start in het begin van de 20e eeuw. Na heel wat uitvoerige discussies werd daarbij besloten om het al gevestigde Standaardnederlands uit Nederland over te nemen. Daarop volgde een sterk taalbeleid dat een grondige verankering van het Standaardnederlands in de Vlaamse maatschappij beoogde. Dat leverde veel prestige op voor de standaardtaal, maar door zijn intrinsiek Noord-Nederlandse oorsprong, bleef het Standaardnederlands in Vlaanderen toch ook als vreemd aanvoelen. En dat is nog steeds zo, want ook nu nog vinden veel Vlamingen de standaardtaal niet de meest natuurlijke optie voor gesprekken in informele of intieme situaties. In grote delen van Vlaanderen wordt in dergelijke situaties veeleer tussentaal gebruikt, de Vlaamse omgangstaal die zowat tussen het Standaardnederlands en de Vlaamse dialecten in ligt.

Enkele breed verspreide kenmerken van tussentaal, aangevuld met een voorbeeld uit het fragment hierboven, zijn:

  • het gebruik van het suffix -ke in plaats van het standaardtalige -je, -je, -pje of –(e)tje voor verkleinwoorden (vlekske in plaats van vlekje);
  • het weglaten van de t aan het einde van enkele hoogfrequente functiewoorden (da(t) in plaats van dat), of van de h aan het begin van een woord ((h)ier in plaats van hier);
  • het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord gij/ge en aanverwante vormen voor de tweede persoon enkelvoud in plaats van jij/je (hebt ge, maar ook hebde in plaats van heb je).

De vraag is nu welke vormen ouders aan de eettafel met hun kinderen (onbewust) verkiezen. In welke situaties selecteren ze de tussentaalvariant en in welke de standaardtaalvariant? Dit onderzoeken we door opnames van eettafelgesprekken tussen Vlaamse ouders en hun kinderen te analyseren. Daarnaast bestuderen we ook interviews waarin de ouders reflecteren op hun eigen kindgericht taalgebruik.

Uit die analyses kwamen al enkele interessante terugkerende patronen naar boven. Ouders gebruiken ten eerste veel meer tussentaal onder elkaar (regels 2, 3 in ons voorbeeld) dan wanneer ze hun kinderen aanspreken (regel 1). Het blijkt ook dat het taalgebruik van de ouders verandert afhankelijk van welk kind ze aanspreken. Wanneer ze met heel jonge kinderen praten, gebruiken ouders doorgaans meer standaardtaal dan tussentaal, maar die verhouding verandert meestal wanneer de kinderen ouder worden. Die resultaten weerspiegelen trouwens ook de bevindingen van onderzoek naar kindgericht taalgebruik in andere talen.

Daarnaast blijkt ook de gesprekscontext een rol te spelen. Ouders gebruiken bijvoorbeeld meer standaardtaal in pedagogische contexten, dus in gesprekken waarin ouders hun kinderen iets proberen uit te leggen of aan te leren (regel 14). Tussentaal vinden we meer in relationele contexten, wanneer ouders met hun kind praten over vriendjes, gevoelens (regel 4), maar vooral ook in gesprekken met een humoristische component. Transactionele taalsituaties, waarin wordt ingezet op het voltrekken van de ‘hoofd’-handeling, zoals hier zorgen voor handhygiëne als voorbereiding op de maaltijd (regels 7, 9), zitten vaak ergens tussenin qua hoeveelheid tussentaalgebruik.

Wat leren we bij?

Op zich is het natuurlijk fascinerend om een inzicht te krijgen in welke taalvariëteiten wanneer meestal gebruikt worden, wanneer ouders tegen elkaar en tegen hun kinderen spreken, maar daarnaast leren we meteen ook iets over de houdingen van ouders tegenover de variëteiten die ze in hun taalrepertoire ter beschikking hebben. Dat ouders met hun jonge kinderen bijvoorbeeld vooral standaardtaal spreken, sluit aan bij het hoge prestige van de standaardtaal in Vlaanderen. Dat bevestigt dat standaardtaal nog steeds gezien wordt als de ‘beste’ variëteit, de taal bij uitstek voor onderwijs en formele contexten. Het is dus logisch dat deze variëteit de eerste keuze is van ouders voor talige socialisering. Het is echter opvallend dat ook tussentaal heel vaak voorkomt, en dan vaak bij ietwat oudere kinderen in de relationele onderdelen van de gesprekken aan de Vlaamse eettafel. Dat reflecteert dus in zekere zin hoe tussentaal gebruikt wordt in Vlaanderen, namelijk als informele omgangstaal. Op die manier leren ouders dus impliciet aan hun kinderen in welke context welke variëteit het meest geschikt is.

Dit idee van impliciete socialisering in de gebruiksnormen van de in Vlaanderen beschikbare variëteiten van het Nederlands wordt ook bevestigd in heel wat interviews over taalgebruik die we afnamen van de ouders uit ons onderzoek. We tonen hier een voorbeeldje waarin een vader blijk geeft van een sterk bewustzijn van de besproken patronen in de manier waarop Vlaamse ouders hun kinderen aanspreken. Opmerkelijk hierbij is zeker hoe hij het nut van beide variëteiten onderstreept:

Ik denk da(t) we allebei toch wel het belangrijk vinde(n) da(t) de kinderen effectief kunnen switche(n), da(t) ze effectief Algemeen Nederlands kunnen kennen en dat ze ook weten dat er een aantal contexten zijn waar da(t) ge da(t) beter nie(t) gebruikt, maar dat het goed is da(t) je da(t) kan. Da(t) ge da(t) nie(t) moet doen als ge bij uw vrienden zijt, da(t) da(t) iets anders is, maar da(t) ge weet hoe het int echt moet. 2)

Besluit? Er is veel meer structuur in het gebruik van de taalvariëteiten in Vlaanderen dan mensen doorgaans vermoeden. Die structuur kun je verbinden aan de spreker, de toehoorder, en de gebruikscontext. Nagaan hoe ouders hun jonge kinderen talig socialiseren biedt in die zin een nieuw en boeiend perspectief op taalvariatie in Vlaanderen.

Lars Naborn is doctoraatsstudent aan de KU Leuven. – Dorien Van De Mieroop is hoofddocent Nederlandse taalkunde en taalbeheersing aan de KU Leuven. – Eline Zenner is docent Nederlandse taalbeheersing aan de KU Leuven.
Contact: lars.naborn@kuleuven.bedorien.vandemieroop@kuleuven.beeline.zenner@kuleuven.be

_________________

Noten

1) Dit fragment is weliswaar gebaseerd op een aantal authentieke interacties in ons corpus, maar het is er geen letterlijke weergave van. We hebben hiervoor gekozen omdat we zo de verschillende processen die we bespreken in dit artikel kunnen illustreren aan de hand van één voorbeeld.

2) Dit fragment werd zo letterlijk mogelijk getranscribeerd op basis van het interview.

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2019/4.

Naar boven