Anders denken over Nederlandse cultuur

Een canon als betekenisweb in een veranderende wereld

Willem van Oranje (1533-1584), Vader des Vaderlands, ook voor nieuwkomers betekenisvol

Auteur: Ludo Beheydt

In tijden van migratie en globalisering rijst de vraag of het nog wel zin heeft het gedateerde begrip Nederlandse cultuur te blijven hanteren. Historici en letterkundigen hebben elkaar alvast gevonden in het grote postmoderne deconstructieproces van de eens gekoesterde Nederlandse cultuur. Maar ze lijden aan een jammerlijke bewustzijnsvernauwing, omdat ze Nederlandse cultuur ten onrechte reduceren tot een verplichte lijst van feiten, namen en geschriften en onvoldoende inzien dat het slechts tekens zijn van een onderliggend, dynamisch virtueel betekenisnet, dat telkens weer tot uitdrukking komt in nieuwe tekensystemen.

Verlichte historici houden niet op erop te wijzen dat de Nederlandse cultuur een verzonnen traditie is van een verbeelde gemeenschap en dat die niet objectief omschreven kan worden. Het beeld van de Nederlandse cultuur is een fictie, die berust op een mythisch verhaal, dat een bestendige cultuur poneert, terwijl in werkelijkheid de cultuur niets anders is dan een willekeurig amalgaam van uitingen zonder samenhang. De ambitieuze reeks Nederlandse cultuur in Europese context, die probeerde een coherent beeld van de Nederlandse samenleving te geven, is door die historici opzijgezet als gezichtsbedrog, dat probeert Nederland te zien als een directe en onproblematische voortzetting van de oude Republiek der Verenigde Nederlanden. Literatuurcritici van hun kant hebben ook heel veel moeite gedaan om de Nederlandse literatuur, zoals we die onder de traditionele consensus kennen, te onttakelen. De prestigieuze reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, die sinds 2006 onder hoofdredactie van de Nederlander Arie Jan Gelderblom en de Vlaamse Anne Marie Musschoot is verschenen en die gebaseerd was op de overtuiging dat de Nederlandse literatuur één geheel is, heeft het zwaar moeten ontgelden. Van twee kanten kwam de aanval. Er was de aanval van diegenen die, zoals Ton Anbeek, vonden “dat Vlaanderen en Nederland hun eigen literatuurhistorische ontwikkeling kennen, en dat die ontwikkeling zonder problemen afzonderlijk kan worden beschreven”, zoals hij ook zelf gedaan heeft. En er was de aanval van de globalisten, die vonden dat de zogenaamde Nederlandse literatuur zich naadloos inbedt in de grote hypertekst van de wereldliteratuur en dat het afgrenzen van een Nederlandse literatuur te kortzichtig was.

De weigering van historici om een verhaal te vertellen, heeft alles te maken met een enge kijk op cultuur

De waarde van het historische verhaal

Het grote deconstructieproces heeft ondertussen zijn beste tijd gehad. Historici die elk verhaal van de gemeenschap vanuit de heilig verklaarde historische kritiek willen ontkrachten, blijft alleen nog de trieste taak over om gedetailleerd de evolutie van de graanprijzen of de verkoop van wijn en bier door de tijd heen te beschrijven. Geschiedschrijving die zich onttrekt aan een goed gedocumenteerde, inzichtelijke synthese van de traditie van een gemeenschap, ontvlucht haar taak om aan de verbeelde gemeenschap vertrouwen te bieden in de samenleving die een erfgoed heeft van waarden en normen. De bezwaren tegen die taakstelling zijn bekend, maar niet overtuigend. Het bezwaar dat elk historisch verhaal een constructie is en dat het bepalen van hoogtepunten en dieptepunten altijd ideologisch geladen is, is weliswaar geldig, maar slechts zeer ten dele. Waarom dat zo is, kan ik niet beter verwoorden dan met een citaat uit Ilja Leonard Pfeijffers onvolprezen barokke roman over de Europese identiteit Grand Hotel Europa (2019, p. 220):

Verhalen moeten worden verteld omdat verhalen betekenis geven aan de gebeurtenissen en omdat zonder betekenis alles zinloos wordt. Omdat je, als je het verhaal niet vindt in de willekeur, de hoop kunt opgeven dat je ooit nog iets begrijpt. Omdat we mensen zijn, en dat is wat mensen sinds mensenheugenis doen: ze vertellen elkaar verhalen. Als iets cultuur is, dan is dat het: een collectief geheugen van alle verhalen die definiëren wie we zijn en wat het betekent dat wij mensen zijn. Op de dag dat we ophouden elkaar verhalen te vertellen, verkruimelt empathie met medemensen, stort het samenwerkingsverband in dat wij samenleving noemen, en zijn wij als personages in een postapocalyptische dystopie overgeleverd aan elkaars overlevingsinstinct.

We komen hier heel dicht in de buurt van wat een hedendaagse visie op cultuur kan zijn en op het belang van zo’n visie voor de leefbaarheid en toekomst van een cultuur.

Willem van Oranje (1533-1584), Vader des Vaderlands, ook voor nieuwkomers, betekenisvol
Adriaen Thomasz. Key (ca. 1544-1589), Willem van Oranje (ca. 1579)
Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-3148

Door de ramen van de canon op zoek naar betekenis

De weigering van historici om een verhaal te vertellen, heeft alles te maken met een enge kijk op cultuur. Zij weigeren om samenhang te creëren rond specifieke gebeurtenissen, personen en geschriften. Zij hebben een rare afkeer van een canon. Het hoge woord is eruit: een canon. Nederland heeft al sinds 2008 een canon van Nederland, die door een commissie onder leiding van Frits van Oostrom werd samengesteld. Die canon is niet een lijstje van ankerpunten, die eenduidig gebeurtenissen en figuren uit de geschiedenis duiden, zoals wel eens smalend en ongeïnformeerd wordt gezegd. Het is een reeks van vijftig zorgvuldig geselecteerde ‘vensters’, die samen bedoeld zijn als een overzicht van wat iedereen zou moeten weten van geschiedenis en cultuur van Nederland. Historici roepen nogal ongenuanceerd dat dat nooit de inhoud van onze kennis van de traditie zou mogen sturen, omdat van historici mag worden verwacht dat zij meerdere perspectieven aanbieden en dat ze leren dat het verleden anders wordt gepercipieerd naargelang van de vragen die je stelt. In de eerste plaats is het niet zo dat de vensters een dwingende visie opdringen op de geschiedenis. Integendeel, elk ankerpunt is net geconcipieerd als een ‘venster’ – een raam met een titelplakkaat – dat geopend kan worden en waarachter zich verschillende perspectieven openen, positieve en negatieve. In de huidige Nederlandse canon is er een raam voor Willem van Oranje, maar ook een raam voor Srebrenica , waar de dilemma’s van vredeshandhaving, buitenlandse inmenging en mensenrechten aan de orde kunnen worden gesteld.

Het is een illusie dat de huidige superdiverse generatie het kan stellen zonder de psychisch geruststellende ervaring van de geborgenheid in de lokale cultuur

De vensters nodigen uit tot een diversiteit van vragen. Natuurlijk is ook de keuze van de vensters gekleurd. Er is heel veel discussie geweest over de keuze, maar die keuze is, zoals elk geschiedverhaal een door tijd en omstandigheden gekleurde keuze. En alweer is het de te enge visie op cultuur die hier de blik vertroebelt. De keuze is bedoeld als een momentaan representatieve blik op het verleden van een cultuur zoals die leeft op een bepaald moment. Maar die blik verandert omdat ook de cultuur verandert en dus moet de canon op gestelde tijden bijgestuurd worden. Een cultuur is namelijk niet een verzameling voor eeuwig in marmer gebeitelde hoogtepunten met namen van kunstenaars, staatslui, zeehelden, veldslagen, gebeurtenissen, geschriften … Het is veel vruchtbaarder om met een semiotische blik naar het verleden te kijken en cultuur op te vatten als een op een bepaald moment door een samenleving gedeeld betekenisweb, dat voortdurend in beweging is. Die betekenissen worden gecreëerd door de mensen die deelnemen aan de samenleving, en die ziet er nu heel anders uit dan, zeg maar, honderd jaar geleden.

De nieuwe maatschappij heeft in een tijd van superdiversiteit, globalisering en internet een totaal ander uitzicht dan die van voor de Tweede Wereldoorlog. De nieuwkomers leveren hun bijdrage aan het betekenisweb en kennen nieuwe connotaties en associaties toe aan de ankerpunten van de canon. Michiel de Ruyter en de zeehelden hebben in de Nederlandse cultuur van vandaag een andere betekenis dan die die in 2009 leefde, bij de invoering van de canon. En wellicht zou vandaag het venster televisie vervangen worden door sociale media, omdat de cultuur van vandaag meer wordt getekend door de sociale media dan door de televisie. In dat licht is het begrijpelijk dat er in Nederland in 2018 zo’n felle discussie ontstond over de samenstelling van de canon. Als er in het huidige betekenisweb van waarden en normen, zoals werd betoogd, te weinig aandacht is voor diversiteit, andersgeaardheid, vrouwen, dan is het normaal dat een commissie op zoek gaat naar een betere representatie van het nieuwe gedeelde betekenisnet dat wij Nederlandse cultuur noemen. Dat is een taak voor historici, cultuurhistorici, kunstcritici, literatuurwetenschappers van uiteenlopende strekkingen, maar niet voor politici. Het is aan de kenners van het betekenisweb om een duidend verhaal te schrijven rond bij consensus vastgestelde ‘vensters’, een verhaal dat de samenleving vrijwaart van ellendig kosmopolitisme, waarin het individu niet meer thuiskomt, omdat het zich niet kan thuis voelen in een gedeeld verhaal, omdat het doelloos ronddwaalt in een betekenisloze ruimte.

Hendrik Conscience (1812-1883), interactie met een erfgoed aan betekenis
Standbeeld van Hendrik Conscience (1883) voor de Erfgoedbibliotheek in Antwerpen | Foto Ad Meskens

Een verhaal, ook voor de nieuwkomer

Het is een illusie dat de huidige superdiverse generatie het kan stellen zonder de psychisch geruststellende ervaring van de geborgenheid in de lokale cultuur. Ook de nieuwkomer, met zijn geërfd verleden en zijn persoonlijk avontuur, heeft er alle baat bij geïntroduceerd te worden in het gedeelde betekenisweefsel van de samenleving waarin hij terechtkomt. Alleen als hij voldoende vertrouwd is met dat betekenisweefsel, kan hij of zij bijdragen tot dat dynamische betekenisweefsel. Als de Nederlandse cultuur wil inzetten op verrijkende interculturaliteit, dan zal het betekenisweb ingesteld moeten zijn op culturele mobiliteit, op de confrontatie en de uitwisseling met inkomende, andere betekenisnetten, maar dan zal ze ook voldoende zelfbewust moeten zijn om de kernwaarden van het bestaande Nederlandse betekenissysteem te duiden. Met Stephen Greenblatt ben ik geneigd te geloven dat “culturele mobiliteit die de verleiding van het diep gewortelde van een cultuur ontkent eenvoudigweg voorbijgaat aan de kern van de zaak”. Als we de culturele identiteit van de Nederlandse cultuur als een virtueel dynamisch netwerk van betekenissen willen zien, dan zullen we evenzeer respect moeten hebben voor het erfgoed van de traditie als voor de invloed van de globalisering en de diversiteit. Het is dus geen blijk van verderfelijk nationalisme om de nieuwkomer kennis te laten maken met de betekenis van Willem van Oranje, Annie M.G. Schmidt, Hendrik Conscience of Van Eyck, zolang die kennismaking uitnodigt tot betekenisvolle interactie. In die zin hoeft een canon niet te leiden tot polarisatie, zoals sommige goed menende historici denken, maar kan die juist bijdragen tot de culturele mobiliteit die de Nederlandse cultuur als een levende cultuur moet typeren, als een flexibel betekenisweb dat significant blijft in een veranderende wereld.

Voorwaarde voor een vruchtbare interculturaliteit, waarin ook nieuwe deelnemers de dynamiek van de cultuur mee bepalen, is en blijft een gedeelde taal

Voorwaarde voor zo’n beloftevolle Nederlandse cultuur met toekomst is natuurlijk wel dat we blijven beschikken over een gemeenschappelijke taal waarmee wij het onderliggende betekenisweb vorm kunnen geven, een gedeelde taal waarmee wij in voortdurend overleg het overgedragen betekenispotentieel kunnen nuanceren tot een nieuwe Nederlandse cultuur. Dat zal niet kunnen in een krakkemikkig steenkolenengels; dat zal, met respect voor de lokale overlevering, alleen kunnen gebeuren in de taal van de plek waar de samenleving zich bevindt, en met de vigerende taal van het openbare leven, het beleid en het onderwijs van die samenleving. Die taal is voor de Nederlandse cultuur het Nederlands. Daarom moet het onderwijs in Nederland en Vlaanderen alle middelen inzetten om alle aanwezigen in de Nederlandstalige samenleving dat essentiële expressiemiddel te laten verwerven. De nieuwkomer, de anderstalige die niet de mogelijkheid krijgt deze belangrijkste expressie van de samenleving te verwerven, zal niet optimaal kunnen profiteren van het onderwijs en ook niet kunnen bijdragen tot de interculturele emancipatie van de Nederlandse cultuur. Voorwaarde voor een vruchtbare interculturaliteit, waarin ook nieuwe deelnemers de dynamiek van de cultuur mee bepalen, is en blijft een gedeelde taal.


Ludo Beheydt is emeritus hoogleraar Civilisation néerlandaise en Linguistique néerlandaise aan de Université catholique de Louvain. Hij is lid van de redactie van Neerlandia.
Contact: ludo.beheydt@skynet.be

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2019/3.

Naar omhoog