Nederlands zelfbeeld in brons

Auteur: Diederik Oostdijk

Het Netherlands Carillon vanaf Arlington National Cemetery in 2017

In 1954 schonk de Nederlandse bevolking een carillon aan het Amerikaanse volk als dank voor zijn bijdrage aan de bevrijding en het Marshallplan. Het carillon, gehuisvest in een modernistische klokkentoren in Arlington, Virginia, met een prachtig uitzicht op de Amerikaanse hoofdstad Washington D.C., bestond uit 49 (inmiddels 50) klokken die symbolisch de geschiedenis en toekomst van Nederland moesten laten weerklinken. Alle provincies kregen een klok, maar ook beroepsgroepen en industrieën werden gerepresenteerd met gedetailleerde decoraties. Volgend jaar organiseert Museum Klok & Peel in Asten een tentoonstelling over dit opmerkelijke carillon. Met opschriften van de dichter Ben van Eysselsteijn en afbeeldingen vervaardigd door drie kunstenaars – Genia van der Grinten-Lücker, Louis Meys en Gerard van Remmen – vormt de iconografie van de klokken van het Netherlands Carillon een eigenzinnig tijdsbeeld van Nederland in de jaren vijftig. Normaal gesproken blijven deze teksten en beelden verborgen voor de bezoeker in Arlington, maar tijdens de tentoonstelling (en in dit artikel) wordt een glimp van de ware betekenis zichtbaar. De klokken worden rond de tentoonstelling naar Nederland gebracht om herstemd te worden door Koninklijke Eijsbouts en een aantal zal beurtelings getoond worden aan het grote publiek. Zo wordt dat verborgen en unieke zelfbeeld van het naoorlogse Nederlands voor het eerst zichtbaar.

Politiek instrument

Toen Koningin Juliana op haar eerste officiële staatsbezoek naar Amerika ging in 1952, zocht de Nederlandse regering naarstig naar een passend cadeau. Na veel vijven en zessen viel de keuze op een carillon. Niet alleen was dat een muzikale uitvinding uit de Lage Landen, het zou een blijvend cadeau worden dat voor altijd de speciale band tussen Nederland en zijn grootste bondgenoot zou eren. Bovendien kon Nederland zo letterlijk een politieke boodschap laten klinken. Nederland was als een kleine klok in de wereldpolitiek, gaf Juliana aan tijdens haar toespraak bij de overhandiging van de eerste klok aan President Truman en om geluid te maken in de wereld, moest Nederland samenwerken met grotere klokken, zoals Amerika. Het klokje dat speciaal voor de gelegenheid gegoten was door klokkengieter Petit & Fritsen uit Aarle-Rixtel was het kleinste van het toekomstige carillon. Het bevatte de tekst “Ik kleinste / het reinste” boven een afbeelding van een ooievaar. Twee maanden eerder had Juliana’s jongste dochter Marijke het kleinste klokje aan haar moeder gegeven, symbolisch voor de gehele Nederlandse jeugd. Na de verwoestende oorlog wilde Nederland vooruitkijken. Vooral door de aanstormende jeugd had Nederland tijdens de wederopbouwperiode een nieuwe toekomst.

Na veel vijven en zessen viel de keuze op een carillon

Het comité Klokken voor Amerika boog zich intussen over de overige klokken. Het comité koos ervoor om de klokken te laten gieten door drie klokkengieters – Eijsbouts, Petit & Fritsen en Van Bergen – uit het noorden en het zuiden van het land. De commissie moest een afspiegeling zijn van Nederland en werd voorgezeten door de katholieke voorzitter van de Tweede Kamer, Rad Kortenhorst, en had met de burgemeester van Amsterdam, Arnold Jan d’Ailly, een socialistische vicevoorzitter. Werkgevers-, werknemers- en vrouwenorganisaties waren in het comité vertegenwoordigd. Hoewel geen van de leden bekend leek met klokken en carillons, omarmde het comité het revolutionaire plan om elke klok een boodschap in woord en beeld mee te geven aan Amerika. Zoiets was nog nooit voorgekomen in de carillon-geschiedenis en sindsdien ook nooit meer zo uitvoerig herhaald. De verzwaring van de extra lagen brons, die in hoog reliëf moesten worden aangebracht, kost immers meer geld en kan ook een negatief effect hebben op de klank van de klokken. Bovendien hangen carillonklokken meestal zo hoog in een toren, zoals ook bij het Netherlands Carillon het geval is, dat die pracht en praal zelden wordt gezien.

Visueel poldermodel

Ondanks het lumineuze idee om alle klokken gezamenlijk het Nederlandse volk te laten symboliseren, had het comité geen masterplan voor hoe Nederland gerepresenteerd moest worden. Men ging provisorisch en soms zelfs opportunistisch te werk. Een plan om verschillende christelijke zuilen en ook het humanisme af te beelden, werd geopperd en verdween daarna weer van tafel. De drie vrouwelijke leden protesteerden fel tegen het ontwerp dat Louis Meys had gemaakt voor de 23e klok, gewijd aan de vrouwenorganisaties. In plaats van de “etherische nymfen in paradijsachtige gewaden” wilden zij “een krachtiger impressie zien van de vrouw” die “in de hedendaagse maatschappij in alle mogelijke ambten en functies haar plaats vervult.” De tekst die Van Eysselsteijn had bedacht, had wel hun instemming:

Die sterk en onafhankelijk zijt
en met het hart ontvankelijk zijt:
Vrije vrouwen,
helpt ons bouwen
Een betere wereld in een nieuwe tijd.

Goed beschouwd waren alle beslissingen van het comité gebaseerd op het zogenaamde poldermodel, hoewel dat woord toen nog niet bestond. Alles werd uitvoerig besproken en het compromis was heilig. Net als de beslissing om drie klokkengieters het carillon te laten maken, was de keuze voor de drie kunstenaars – een schilder (Meys), een jonge beeldhouwer (Van Remmen) en een graficus (van der Grinten-Lücker) – gebaseerd op onderhandeling en een billijke verdeling.

Stilistisch gezien zijn de afbeeldingen op de klokken sterk uiteenlopend, door de verschillende creatieve handen die eraan hebben meegewerkt. De reden waarom het toch een eensluidend zelfbeeld van Nederland werd, is vooral te danken aan Genia van der Grinten-Lücker. Deze dochter van de Nijmeegse kunstenaar Eugène Lücker woonde in Asten en de lokale klokkengieter Eijsbouts, die pas kort daarvoor begonnen was met het vervaardigen van carillons, wist haar te strikken voor ontwerpen op de klokken. Terwijl de andere twee klokkengieters, van Bergen uit Heiligerlee en Petit & Fritsen, gebruik maakten van eeuwenoude mallen, vond Van der Grinten-Lücker deze ambachtelijke kunstvorm opnieuw uit. Zij ontwierp de randclichés en kleine vignetten van alle 49 klokken die gedichten van Van Eysselsteijn zouden omklemmen. Ook coördineerde ze het contact met de andere twee kunstenaars en met de graveur Ernest Goyarts uit Weert, die de matrijzen ontwierp, zodat de bronzen afbeeldingen in hoog reliëf op de klokken konden worden bevestigd. Van der Grinten-Lückers beeldtaal is klassiek te noemen, gemengd met een vleugje art deco, maar ze verstond ook de kunst om populairdere thema’s te verwerken in de clichés en vignetten van het Netherlands Carillon. Van Remmen was als beeldhouwer bekend met hoog- en laagreliëf, maar vooral Meys had moeite om zijn impressionistische stijl tijdelijk op te geven voor uitdrukkelijkere, figuratieve beeltenissen. Met tact wist van der Grinten-Lücker de andere twee kunstenaars ertoe te bewegen bruikbaardere ontwerpen te tekenen en zij en de ervaren Weertse graveur wisten er toch een eenheid van te maken. Zo wisselde ze oer-Hollandse taferelen als haring happende zeelui, bruggen en molens af met decoratieve takmotieven en Nederlandse leeuwen.

Gipsen plaat van de 13e klok gewijd aan de mijnbouw. Het hoofdontwerp is van Gerard van Remmen; de toevoeging van de takken is van Genia van der Grinten-Lücker. Uit: privécollectie van Ernest Goyarts, Weert

Gunstige winden

Het pronkstuk van alle afbeeldingen was haar ontwerp voor de klok van de Antillen. Vreemd genoeg kreeg deze eilandengroep de grootste klok toebedeeld, nog voor die van de meest dichtbevolkte provincies van Noord- en Zuid-Holland. De Antillen zijn niet het eerste waar je aan denkt als je aan Nederland denkt en zeker in die tijd werden de zes eilanden in de Caraïbische Zee eerder als uithoek dan als integraal onderdeel van het Nederlandse Koninkrijk beschouwd. Maar de kolonie van Nederlands-Indië was Nederland net ontvallen en Suriname wilde – dertig jaar voor zijn onafhankelijkheid – niet meedoen met dit cadeau.

Geflankeerd door een cactus en een tropische maar dorre boom en omringd door golven figureert een zeemeermin met wapperende haren

Daardoor werd de deelname van de Antillen extra gewaardeerd. Bovendien hadden de Antillen maar liefst 20.000 gulden neergelegd om de grootste klok van het Netherlands Carillon toegewezen te krijgen. Dat was vooral ingegeven door economische motieven: de gouverneur hoopte zo meer Amerikaanse toeristen naar Aruba, Curaçao en de overige eilanden te trekken. Van der Grinten-Lücker bedacht een evocatief ontwerp waarin het de Antillen letterlijk en figuurlijk voor de wind ging. Geflankeerd door een cactus en een tropische maar dorre boom en omringd door golven figureert een zeemeermin met wapperende haren.

Messingplaat van grote vignette op de klok van de Antillen naar een ontwerp van Genia van der Grinten-Lücker Uit: privécollectie van Ernest Goyarts, Weert

Zij en een schip op de achtergrond worden door de gunstige wind voortgestuwd naar betere, welvarende tijden, zo lijkt het. De beeltenis die Van der Grinten-Lücker ontwierp voor het randreliëf, onderstreept die symbolische betekenis. Naast een palmboom en tropische planten is daarop ook zichtbaar een flamingo die andere, papegaaiachtige vogels lijkt voort te stuwen. De Afrikaanse flamingo werd door de Grieken omgedoopt tot de feniks, de mythologische vogel die uit zijn eigen as herrees.

Close-up van de randcliché van de klok van Overijssel. Het ontwerp is van Genia van der Grinten-Lücker

Economische belangen

Van de kleinste tot de grootste klok weerklonk dus eensluidend de gedachte dat Nederland vergevorderd was met de wederopbouw na de destructie van de Tweede Wereldoorlog. Dat gold ook voor de klokken gewijd aan de industrieën. Net als de Antillen investeerde de KLM in het carillon. De KLM gaf kantoorruimte aan het comité en sponsorde het carillon voor fl. 5000. Dat resulteerde in de 18e klok, opgedragen aan de luchtvaart. Van Eysselsteijn rijmde dat die relatief recente industrietak Nederland voorbereidde voor een hoogvliegende toekomst: “Hoge brug van volk tot volken / over zeeën, over wolken,” dichtte de Haagse broodschrijver: “De motoren laten / laten ’t horen: / Holland beidt een nieuwe tijd.” De KLM was vrijgevig, maar net als de Antillen had het bedrijf een eigenbelang. De Nederlandse luchtvaartmaatschappij was drukdoende om Amerikaanse landingsrechten te verkrijgen en zelfs koningin Juliana’s echtgenoot prins Bernhard werd daarvoor gecharterd. Het Netherlands Carillon was ogenschijnlijk een cadeau om Amerika te danken voor de hulp tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maar economische belangen speelden bij overheden en bedrijven meermaals de boventoon.

De stem van de mijnwerkers

Maar de iconografie van de klokken laat ook zien dat de moderne tijd niet helemaal was ingetreden in Nederland. Net zoals Meys’ oorspronkelijke ontwerp voor de Vrouwenklok een conservatieve blik op de Nederlandse samenleving verraadt, zo geven een aantal klokken gewijd aan industrieën blijk van een behoudende koers. De 13e klok werd opgedragen aan de mijnbouw. De grootte van de klok en de prominente positie, net na de Nederlandse provincies, maar ver voor belangrijke bedrijfstakken als het geldwezen en het transportwezen was opvallend. Toen de mijnklok werd opgeleverd in 1954, was het slechts iets langer dan een decennium voordat de toenmalige minister van Economische Zaken, Joop den Uyl, in 1965 besloot dat de mijnen in Nederlands Limburg definitief zouden sluiten. Van Eysselsteijns lieflijke woorden over deze vervuilende en voor vele mijnwerkers ook uiteindelijk dodelijke energiebron klinkt met de kennis van nu eigenaardig en nostalgisch:

Ik roep en ben
de stem van hen
die warmte, licht en welvaart wrochten
uit aarde’s ondergrondse krochten.

Het geeft, naast een eerbetoon aan de Limburgse mijnwerker, aan hoe afhankelijk Nederlanders zich voelden van de kolenindustrie en hoeveel vertrouwen er was dat deze bron van werkgelegenheid en inkomsten voor de Nederlandse staat nog lang zou blijven bestaan. In een noot in het boekje Beschrijving van het Carillon voor Amerika werd nog eens benadrukt dat “het harde werk van de Nederlandse mijnbouwers” zeker “een belangrijke factor” zou zijn “in de wederopbouw.”

Messingplaat van grote vignette op de klok van de Antillen naar een ontwerp van Genia van der Grinten-Lücker Uit: privécollectie van Ernest Goyarts, Weert

De iconografie van het Netherlands Carillon geeft een onthullend beeld van hoe Nederland zichzelf zag in de jaren 50. Met een half been in het verleden had het land ook al een ferme stap gezet richting toekomst. Het carillon was een klinkend symbool van Nederland. Niet alleen waren de comitéleden, de klokkengieters, de kunstenaars en de klokken zelf een afgietsel van Nederland, het carillon moest ook Nederland internationaal opnieuw introduceren. Nederland wenste zich niet langer neutraal en isolationistisch op te stellen, zoals het voor de Tweede Wereldoorlog had gedaan. Het zou – binnen de Europese Gemeenschap, de Benelux, de NAVO en de Verenigde Naties – als kleine klok de toon willen zetten in een harmonisch carillon van de wereldpolitiek. Dat die harmonie voor een deel schijn was en dat Nederland veel meer verdeeld was in de jaren 50 dan we ons nu realiseren, zal de tentoonstelling in Museum Klok & Peel laten zien. Maar dat is eigenlijk ook al te zien in de veelheid van beelden op de klokken zelf. Nederland was nog het land van klompen, vissers en haring, maar het was ook aan het transformeren naar de moderne maatschappij die het is geworden.

Diederik Oostdijk is hoogleraar Engelse en Amerikaanse literatuur aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Contact: d.m.oostdijk@vu.nl

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2018/2.

Bekijk de inhoud van dit nummer

Naar boven