Themadag Standaardnederlands

7

maart

De standaardtaal: van strakke norm tot vrije vorm?

Locatie: Hof van Liere, Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen 
Zaterdag 7 maart 2026 om 10.00 uur (ontvangst vanaf 09.30 uur)

Programma

09.30-10.00 uur: Ontvangst 

10.00-12.30 uur: Verwelkoming en lezingen

  • Rik Vosters:  "Wat basterdtael, het ketterzaed tot vreugd!” Een standaardisatiegeschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden
  • Peter-Arno Coppen: De slinger van professor Zonnebloem, Opvattingen over standaardtaal in het onderwijs in verleden, heden en toekomst 

12.30-13.30 uur: Lunch

13.45-15.45 uur: Vervolg lezingen

  • Stefania Marzo: Taalcontact als motor van verandering in Vlaanderen
  • Jos Swanenberg: Op papier en in de praktijk: over taalvariatie en de waarde van noemen

16.00-16.45 uur: Panelgesprek

  • An De Moor, moderator
  • De sprekers Peter-Arno Coppen, Stefania Marzo, Jos Swanenberg, Rik Vosters
  • Gunther Van Neste, algemeen secretaris Taalunie

17.00-18.00 uur: Borrel


Deelname

Kosten voor deelname van deze dag inclusief lunch en borrel:

  • € 45,00 voor leden van het ANV en de Orde van den Prince;
  • € 25,00 voor studenten;
  • € 55,00 normaal tarief.

Inschrijven kan op de website van de Orde van den Prince


Informatie over de lezingen en de sprekers

 

Rik Vosters 

"Wat basterdtael, het ketterzaed tot vreugd!” 
Een standaardisatiegeschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden

In deze lezing staan we stil bij standaardisatie als een taalhistorisch proces. Vertrekkend van klassieke standaardisatiemodellen, zoals dat van de Noors-Amerikaanse taalkundige Einar Haugen (1906–1994), sluiten we aan bij recentere inzichten uit de historische sociolinguïstiek. Vanuit dat perspectief reflecteren we op de standaardisatiegeschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden, die als concrete casus centraal staat. We blikken daarbij terug op vijftien jaar sociolinguïstisch onderzoek aan de VUB. Op basis van empirisch materiaal plaatsen we verschillende kanttekeningen bij de klassieke opvatting dat het ontstaan van de Nederlandse standaardtaal een louter Hollandse aangelegenheid zou zijn geweest. 

Zo onderzoeken we wat de taalkundige impact van de politieke scheiding van de Nederlanden en de Val van Antwerpen in 1585 daadwerkelijk was, stellen we de vraag of Holland altijd een richtinggevend centrum van taalnormen is geweest, en besteden we aandacht aan de spanning tussen gecodificeerde taalnormen — bijvoorbeeld in vroege grammatica’s en woordenboeken — en het feitelijke taalgebruik. Vanuit hetzelfde Noord-Zuidperspectief gaan we vervolgens in op de rol van het Frans als prestigetaal in de vroeg- en laatmoderne tijd en op de precieze invloed daarvan op het Nederlands. Daarnaast besteden we bijzondere aandacht aan de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, waarin Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden ook op talig vlak onder Hollandse vlag verenigd waren. 

Op basis van dit brede overzicht van recent onderzoek naar taalnormen, taalgebruik en taalideologieën — drie kerncomponenten van standaardisatie — probeer ik enkele hardnekkige mythes over het ontstaan van de Nederlandse standaardtaal bij te stellen en te ontkrachten. Zo wil deze lezing bijdragen aan een rijker en genuanceerder beeld van ons gedeelde taalverleden.


Peter-Arno Coppen

De slinger van professor Zonnebloem
Opvattingen over standaardtaal in het onderwijs in verleden, heden en toekomst 

Wie het onderwijs in de standaardtaal van de laatste twee eeuwen in vogelvlucht bekijkt, ziet een voortdurende verandering van opvattingen over het fenomeen taal zelf, en over het belang en het doel van het taalonderwijs. Die verandering lijkt op het eerste gezicht chaotisch, maar er zit een regelmatigheid in, die aan een slingerbeweging doet denken die gelijke tred blijkt te houden met bredere Europese maatschappelijke en culturele trends. In deze bijdrage zal ik als een moderne professor Zonnebloem deze slinger interpreteren. 

Ook de huidige stand van zaken in de nieuwe nationale curricula in Nederland en Vlaanderen sluit daarop aan, en kon al tien jaar geleden voorspeld worden. Taalbeschouwing (of reflectie op taal) staat in beide curricula op de voorgrond, en lijkt aan te sturen op het ontwikkelen van redeneervaardigheden voor een individuele bewuste taalvaardigheid of bewuste geletterdheid. 

Wat betekent dit voor het onderwijs van de nabije toekomst? Daar zal ik in deze bijdrage een beeld van geven aan de hand van een redeneermodel dat ik in de afgelopen jaren met enkele promovendi ontwikkelde. En waar zal het in de verdere toekomst weer naartoe gaan? Ook daarvan kunnen we nu al de contouren schetsen.


Stefania Marzo

Taalcontact als motor van verandering in Vlaanderen

Taal in Vlaanderen is nooit statisch geweest. In deze presentatie vertrekken we vanuit de Limburgse mijnstreken, waar intens taalcontact tussen lokale dialecten en migratietalen een uniek taallandschap creëerde. Wat daar ontstond, was geen tijdelijke mengvorm, maar een laboratorium voor taalverandering waarvan de effecten vandaag nog steeds voelbaar zijn in het Nederlands in Vlaanderen. 

Vanuit dit historische perspectief wordt onderzocht hoe langdurig taalcontact het Nederlands heeft gevormd: welke woorden, klanken en manieren van spreken zijn ingeburgerd geraakt, en hoe kregen ze nieuwe sociale betekenissen? Taalverandering blijkt daarbij geen neutraal proces, maar een spiegel van migratiegeschiedenis, machtsverhoudingen en sociale mobiliteit. 

De focus van de presentatie ligt vervolgens op het heden. Jongeren bewegen zich vandaag moeiteloos tussen talen en variëteiten, combineren invloeden en creëren nieuwe vormen van spreken. Tegelijk kijken oudere generaties en instituties daar niet altijd op dezelfde manier naar. Wat zegt dat over taalnormen, identiteit en samenleven? 

Deze presentatie laat zien hoe taalcontact niet alleen het Nederlands verandert, maar ook hoe mensen zich tot elkaar verhouden. Van de mijn tot de klas, van dialect tot nieuw regiolect: taal is beweging, en Vlaanderen beweegt mee.


Jos Swanenberg

Op papier en in de praktijk: over taalvariatie en de waarde van normen

Wat is de waarde van normen van de Nederlandse taal als we zien hoe daarmee wordt omgegaan in de dagelijkse praktijk? In de laatste decennia is het taalgebruik sterk veranderd: door allerlei nieuwe gebruiksvormen van de Nederlandse taal is de variatie van het Nederlands sterk toegenomen. Zo wordt er op sociale media-platforms geschreven en gesproken op manieren die we nog niet kenden toen die platforms er nog niet waren. Bovendien staat dat taalgebruik niet los van het taalgebruik in niet-digitale omgevingen: we zien dat populaire uitspraken gemakkelijk de oversteek van platform naar praktijk in ons dagelijks leven kunnen maken. 

Daarbij kan het gaan om het toepassen van neologismen, nieuwe afkortingen en nieuwe leenwoorden, maar ook zien we variatie in het Nederlands die niet aan de normen van de grammatica voldoet. Zo zien we bijvoorbeeld dat het gebruik van lidwoorden (de/het) onder jongeren steeds meer gaat afwijken van de norm. Zijn zulke afwijkingen van de norm per definitie fout? Of geven ze ons een eerste blik op het Nederlands van de komende jaren?    


Gunther Van Neste

Bijzondere gast en deelnemer panelgesprek

Hij wil dat de Taalunie nog véél meer het gezicht van het Nederlands wordt en dat er nog veel meer stappen gezet worden om iedereen in onze samenleving mee te krijgen en duidelijk te maken hoe belangrijk taalcompetentie in het Standaardnederlands is voor de eigen ontwikkeling en ontplooiing.


An De Moor

Moderator

Ze kreeg intussen verschillende onderscheidingen zoals ‘Academica van het jaar 2016’ van het VVA (Vlaamse Vereniging van Academici), de ‘Lofprijs der Nederlandse taal’ in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van de Stichting Nederlands en het ‘Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap’.


Printversie programma