Dankwoord prof. dr. Ludo Simons voor Visser-Neerlandiaprijs

Op 1 februari 2020 kreeg prof. dr. Ludo Simons de Visser-Neerlandiaprijs voor de wijze waarop hij een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de culturele integratie van Nederland en Vlaanderen. Op veler verzoek publiceren wij zijn dankwoord, waarin hij zijn zorgen uit over de status van het Nederlands.

Dames en heren,

Ik dank u allen zeer voor uw aanwezigheid, ik dank degenen die mij voor deze prijs hebben voorgedragen, ik dank het ANV-bestuur dat dit voorstel heeft willen honoreren, ik dank het Turnhoutse stadsbestuur dat aan deze plechtigheid z’n gastvrijheid heeft willen verlenen en ik dank mijn collega Pierre Delsaerdt voor de lovende woorden die hij over mijn en uw aller hoofden heeft uitgestrooid.

De verleiding is groot om nu over te gaan tot nostalgische beschouwingen over mijn Turnhoutse jeugdjaren en de banden die mij nog steeds met mijn geboortestad verbinden, maar ik zal dat niet doen om de niet-Kempenaars onder u niet te vervelen en om de wel-Kempenaars onder u van buiten Turnhout niet voor het hoofd te stoten. Want dat Turnhout ‘den eersten troost der staten van ons roemweerdig vaderland’ is, zoals alle Turnhoutenaars weten en belijden, is zelfs in pakweg Herentals al geen vanzelfsprekendheid meer.

Liever zou ik de gelegenheid te baat nemen om u gedurende enkele minuten deelachtig te maken aan mijn bezorgdheid over de status van onze gemeenschappelijke taal, het Nederlands, in een tijdsgewricht waarin moeizaam bevochten verworvenheden zonder scrupules op de helling worden gezet.

Ik voer daartoe heel kort vier stellingen aan. De eerste luidt: Vlaams is ook Nederlands. De tweede: Niet alle ‘Vlaams’ is Nederlands. De derde: Niet alle ‘Hollands’ is goed Nederlands. De vierde is eigenlijk een vraag: Is Engels een noodzakelijk kwaad? Als ik daar een stelling van maak, is de aardigheid ervanaf.

Stelling 1: Vlaams is ook Nederlands

Ik ben geboren in Turnhout. Gevraagd waar precies, zeg ik vaak: op een boogscheut van het vroegere stadhuis, een fraaie kopie van het Haagse Mauritshuis, in mijn jeugdjaren afgebroken om meer ruimte te laten voor het oprukkende autoverkeer. Behalve een zekere status geeft mij dat ook de gelegenheid een van mijn geliefkoosde ‘Vlaamse’ woorden te gebruiken: een boogscheut. Vlamingen zijn al sinds de veertiende eeuw fameuze boogschutters, ei zo na was het ‘Handboogschieten op de staande en de liggende wip’ in 2004 door de unesco erkend als ‘immaterieel erfgoed van de mensheid’, zoals de tango, de Chinese kalligrafie en …, althans tot vorig jaar, het Aalsterse carnaval. Als je dat allemaal weet, zou je het dan als Vlaming nog over je hart krijgen om, zoals de Nederlanders, van een steenworp te spreken als je een boogscheut bedoelt?

Een tweede voorbeeld. In een geleerd gezelschap van Vlamingen en Nederlanders ging het over onze talenkennis. Ik zei, met enige overdrijving: ‘Ik kan mij ook in het Spaans uit de slag trekken.’ ‘Wááruit?’, zei een Nederlandse collega. Ik had het mij nooit afgevraagd. We improviseerden ter plaatse een verklaring: zich uit een veldslag terugtrekken, zich redden: ik red mij in het Spaans. Thuisgekomen vertelde ik het verhaal aan mijn vrouw, die uit het westen des lands komt en meteen zei: ‘Maar jongen, een slag is een karspoor!’ Ik keek dus in mijn Middelnederlandsch handwoordenboek, en ziedaar: slach, zo bleek, is een wagenspoor, of een ‘kuil of gat geslagen in een weg’. Zullen we dat prachtige Middelnederlands, dat in West-Vlaanderen nog springlevend is, dan maar consacreren als deugdelijk Nederlands?

Maar mijn tweede stelling luidt: niet álle ‘Vlaams’ is Nederlands.

In de laatste jaren heeft in Vlaanderen de zelfgenoegzaamheid toegeslagen, de mentaliteit van ‘wat we zelf doen, doen we beter’. Acteurs op het scherm brabbelen maar wat, en veel politici doen niet beter. Dit soort lieden is in twee categorieën te onderscheiden. De eerste categorie beweert dat hun taaltje even goed Nederlands is als het Nederlands van, bijvoorbeeld, Nederland. De andere categorie redeneert andersom: ‘Vlaams’ is al lang goed genoeg. En voor beide categorieën geldt de onderliggende, zelfgenoegzame redenering: waarom zouden die Hollanders beter zijn dan wij, ze beweren dat we witlof zouden moeten zeggen in plaats van witloof en ze kunnen het niet eens behoorlijk klaarmaken. Met dat laatste hebben ze een punt, maar dat is hier niet ter zake.

Simpel: omdat we het morgen in Europa al moeilijk genoeg zullen hebben om voor onze taal een plaats op te eisen te midden van het palet aan talen dat er gesproken wordt.

Het is in mijn ogen beschamend dat mensen met een voorbeeldfunctie de perceptie verspreiden dat er in Vlaanderen een andere taal – of een ander taaltje – gesproken wordt dan in Nederland. Trekt iemand de eenheid van het Frans in twijfel omdat de Zwitsers en de Belgen septante en nonante zeggen in plaats van soixante-dix en quatre-vingts-dix? En waarom is dat zo belangrijk voor ons? Simpel: omdat we het morgen in Europa al moeilijk genoeg zullen hebben om voor onze taal een plaats op te eisen te midden van het palet aan talen dat er gesproken wordt. Het gaat mij niet om de efficiëntie van het gebruik van werktalen binnen de Unie zelf, daar zien ze maar hoe ze zich het best… uit de slag trekken; het gaat mij om het respect dat een taal van ruim twintig miljoen sprekers voor zich mag opeisen op het internationale forum, in de academische wereld, in de verspreiding van onze ‘talige’ cultuur in de global village van morgen. Laten mensen met een voorbeeldfunctie, als die nog bestaansrecht hebben, zich daarvan bewust zijn.

Stelling 3: niet alle ‘Hollands’ is goed Nederlands

Met de grammatica en de woordenschat is er in Nederland weinig mis, maar de uitspraak van het Nederlands verloedert er zienderogen, of beter gezegd horenderoren. Een voorbeeld. Op de universiteit leerde ik wat bijtonige lettergrepen zijn. Voorbeelden daarvan zijn de eerste lettergreep van woorden als partij, pastei, politie of positie. De klinkers in die lettergrepen zijn bij veel Nederlanders geheel in onbruik geraakt; in veel gevallen hoor je alleen nog maar ptij, pstei, plietsie en psietsie. Zie je wel, zeggen vele Vlamingen dan, met dat taaltje hebben wij niets te maken, als dát Nederlands is, dan spreken wij ten minste even goed Nederlands. En tegenover gebrabbel als Hoe heeiti fan se foornaam en wa toeti fan se fak? stellen zij zelfbewust hun eigen variant: Oe noemtem en wa toetem voor stiel?

Laat het duidelijk zijn: Nederlanders zouden hun taal beter wat cultiveren. Het zou de afkeer van veel – kortzichtige – Vlamingen tegen de standaardtaal helpen verminderen. Daar wint iedereen bij.

Zo kom ik tot mijn laatste onderwerp. Geen stelling, maar een vraag: is Engels een noodzakelijk kwaad?

Ik ben ervan overtuigd dat er over honderd jaar in Nederland en Vlaanderen nog Nederlands gesproken zal worden. Dat is het punt niet. Het punt is dat met name universiteitsbestuurders en politici, voorlopig veel meer in Nederland dan in Vlaanderen, bezig zijn het fundament onder het Nederlands als taal van onderwijs en reflectie in het academische bedrijf weg te halen. Daar is zelfs in Nederland af en toe commotie over. Het meest recente voorbeeld is de University of Twente, die per 1 januari jl. het Nederlands op alle niveaus heeft verbannen en vervangen door het Engels, niet alleen als onderwijstaal dus, maar ook als bestuurstaal en omgangstaal op de hele campus, tot in de supermarkt toe.  Le ridicule ne tue pas, zegden wij in de tijd dat de dieren nog Frans spraken, en de kardinaal in Mechelen ook.

Waarom verjagen Nederlandse universiteitsbestuurders het Nederlands uit hun instellingen? Niet omdat ze iets tegen het Nederlands hebben, maar om twee andere redenen. Ten eerste geloven ze waarschijnlijk oprecht dat hun universiteiten dan allemaal nieuwe Harvards aan de Maas of Princetons aan de Vecht zullen worden, waar een internationaal publiek in grote drommen naartoe zal stromen om er – in het Engels – te komen studeren. Ten tweede beweren ze dat zonder verregaande verengelsing van onze universiteiten onze studenten in de internationale competitie niet mee zullen kunnen.

Bij die argumenten past enige scepsis.

Ten eerste. Engels alléén biedt geen enkele garantie voor kwaliteit en succes, soms integendeel. In het college War and peace aan de Universiteit Groningen bleven na enkele tijd alleen nog de Nederlandse studenten over, want, zo zei een studente aan de Universiteitskrant: ‘Wij konden zijn Engels volgen, maar de buitenlandse studenten snapten er niks van.’ Voor kwaliteit en succes is inderdaad excellentie nodig, en voor excellentie heb je geld nodig. Een aantal jaren geleden liep ik in Princeton over de campus en zag dat er een splinternieuw gebouw werd opgetrokken: Whitman College. Aha, zei ik, Walt Whitman, de beroemde dichter. Maar het bleek om Meg Whitman te gaan, de bazin van eBay, later van Hewlett-Packard. Als dankbare alumna had zij aan het universiteitsbestuur gezegd: stuur de rekening van het nieuwe college maar naar mij en zet mijn naam op het gebouw. Kom daar in Nederland of Vlaanderen eens om. Kennis is macht. Maar geld ook. Engels is goed, maar geld is beter, en veel geld is het best. Tenminste als je met Harvard of Princeton wil wedijveren.

Vlaamse en Nederlandse universiteiten zouden dan ook aan ernstige zelfoverschatting doen door te menen dat zij met hun financiële middelen door het kruim van buitenlandse studenten én geleerden overspoeld zullen worden zodra zij het Nederlands integraal inruilen voor het Engels. Het lokken van buitenlanders met het vooruitzicht dat zij geen Nederlands hoeven te leren omdat die taal (en dus die cultuur, en dus die maatschappij) toch niet de moeite waard is om er zich in in te leven, is zowel een misplaatste vorm van zelfonderschatting als een bijna immoreel staaltje van consumentenbedrog. Het Nederlands is namelijk geen taal om beschaamd over te zijn, en het Engels dat wij in de plaats daarvan aanbieden, is meestal ook niet veel meer dan een afkooksel van de taal van Inspector Morse.

Het tweede argument. Onze studenten moeten Engels kennen als de besten, of ze kunnen niet mee. Natuurlijk moeten zij Engels kennen: Engels is namelijk géén noodzakelijk kwaad, het is een groot goed. Het is prachtig dat geleerden over een lingua franca beschikken waarin zij met vakgenoten wereldwijd over de uitkomsten van hun onderzoek kunnen communiceren. En onze studenten  moeten bovendien Frans en Duits leren, want er is tot voor héél kort in die talen, die ook nog geografisch dicht bij ons liggen, veel gepubliceerd dat we niet straffeloos kunnen veronachtzamen. Wat niet impliceert, naar mijn bescheiden mening, dat we de leerlingen al in het middelbaar onderwijs een vak als geschiedenis of aardrijkskunde in een vreemde taal moeten onderwijzen. Als je op 11 juli verbaasd bent dat op die dag de Vlaamse nationale feestdag wordt gevierd, omdat je alleen weet hebt van de bataille des éperons d’or, dan ben je niet goed bezig, denk ik.

Terug naar Academia. Zonder Engels kunnen onze studenten internationaal niet mee, zeggen onze universiteitsbestuurders. Maar tegelijk hoor ik hen in koor jammeren over de braindrain, de uittocht van onze beste wetenschappers naar het land van belofte, Amerika dus, waar eindelijk eens met allerlei incentives – geld dus – komaf mee moet worden gemaakt. Tja, zo denk ik dan: in de voorbije decennia, toen al het onderwijs in Nederland nog in het Nederlands gebeurde, en ook in Vlaanderen de moedertaal eindelijk de voormalige wereldtaal Frans had afgelost, toen waren honderden jonge geleerden blijkbaar goed genoeg voorbereid om in Amerika en elders hoge toppen te scheren. Zij hadden duidelijk van professoren die hen in hun moedertaal onderwezen – versta: in de moedertaal van de docenten én van de studenten – voldoende bagage meegekregen om internationaal te excelleren. Laat ons dus maximaal inzetten op verbeterd en versterkt talenonderricht in het middelbaar onderwijs én op de universiteit, maar zonder aantasting van het fundamentele recht en de fundamentele plicht van een gemeenschap om haar taal een essentiële plaats te blijven geven in de overdracht van wetenschap en cultuur.

Intussen blijft het minderwaardigheidscomplex van sommige universiteitsbestuurders en van sommige politici verder de vanzelfsprekendheid ondermijnen waarmee een cultuurgemeenschap als de onze haar taaltrots zou moeten etaleren. Tot nu toe is dat, zei ik, voornamelijk in Nederland het geval, en dat illustreert een andere mij dierbare stelling die ik hier niet verder kan ontwikkelen, namelijk dat wij in 1830 ten opzichte van de Nederlanders dezelfde fout hebben gemaakt als in 1960 ten opzichte van de Congolezen: we hebben ze veel te vroeg de onafhankelijkheid gegeven.                                                                                                                                                                                         

Ludo Simons
Turnhout, 1 februari 2020

Ludo Simons met oorkonde Visser-Neerlandiaprijs en Gui van Gorp, vicevoorzitter ANV. Foto: Jo De Rammelaere