Against English – de Engelse vloedgolf

Recensie

Ludo Beheydt

De verengelsing van het hoger onderwijs in Nederland is doorgeschoten. Dat blijkt onder meer uit de felle reacties tegen de ondoordachte verengelsing van allerlei opleidingen en uit de poging van het ministerie van OCW om met een wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid het aantal opleidingen in een andere taal te reduceren en de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs te verstevigen. Symptomatisch voor de maatschappelijke commotie die is ontstaan rond de versnelde verengelsing van het hoger onderwijs en de wetenschap, is de pas verschenen bundel Against English: Een pleidooi voor het Nederlands.

Het is goed dat het ongenoegen tegen de ongecontroleerde wildgroei in Engelstalige opleidingen geventileerd wordt. En de bundeling van zeer uiteenlopende reacties heeft een belangrijke maatschappelijke functie: die toont alvast ontegensprekelijk aan dat overhaaste verengelsing niet op onverdeeld enthousiasme kan rekenen. Dat de bundel een caleidoscopische afspiegeling is van heel diverse ongenoegens over verengelsing in het algemeen, is begrijpelijk, maar laat wel een wat warrige indruk na bij de lezer. De pamflettistische bedoeling wordt enigszins afgezwakt, omdat vanuit zoveel verschillende standpunten en in zoveel verschillende stijlen en bovendien met veel overlapping gereageerd wordt.

Het hoger onderwijs wordt op een onverantwoorde manier losgerukt van de cultuurgemeenschap waarin het is ingebed en waardoor het wordt betaald

Reizang van klaagliederen

We krijgen nogal wat verbrokkelde, anekdotische verhalen over de gevolgen van de verengelsing. Die verhalen zijn bij elkaar genomen symptomatisch voor een niet altijd even helder verwoorde terechte kritiek. Zo is het getuigenis dat een Nederlandse roman in het Engels moet worden gelezen of dat een Amsterdamse universiteit niet in het Nederlands wil communiceren vanwege te duur, natuurlijk hilarisch, maar tegelijk ook schrijnend en tekenend voor een terecht gevoel van onbehagen. En er zijn wel meer van die ervaringen die de lezer alarmeren, zeker die van niet-begrijpende buitenlanders. Jammer alleen dat er geen heldere en boeiende synthese geboden wordt van de her en der verspreide relevante argumenten tegen de Engelse vloedgolf. Want die zijn er wel, alleen zijn ze niet systematisch geordend en uitgewerkt, ook niet in het inleidende protest van de redacteuren. Daardoor krijgt de bundel meer het karakter van een reizang van klaagliederen dan van een goed gericht manifest.

Kloof tussen haves en have-nots

De woekerende kaalslag van het Engels in onderwijs en wetenschap is natuurlijk al eerder genuanceerd becommentarieerd. Bijvoorbeeld in het Manifest dat een aantal professoren in 2015 de wereld in gestuurd heeft. Maar, net zoals in deze bundel, ontbrak ook daarin het omstandig toegelichte fundamentele tegenargument tegen de haast totalitaire verengelsing van het hoger onderwijs en tegen de “met absolute vastberadenheid uitgevoerde ondermijning van de Nederlandse taal en cultuur” (Claudia di Palermo). Dat fundamentele en wezenlijke tegenargument heeft ook hier weer te weinig aandacht gekregen. Als het al terloops is aangeraakt in de inleiding of door Ad Verbrugge en Gita Deneckere, is het toch nergens in al zijn tragische consequenties uitgewerkt. Dat argument is dat het hoger onderwijs in Nederland op een onverantwoorde manier wordt gescheiden, om niet te zeggen losgerukt, van de cultuurgemeenschap waarin het is ingebed en waardoor het bovendien wordt betaald. De kloof tussen de haves en de have-nots wordt onoverbrugbaar gemaakt door de taalkeuze van de elite. Dat de elite daarmee zelf het wantrouwen, de rancune en de maatschappelijke frustratie voedt die leidt tot polarisatie en populisme, is misschien wel impliciet aan te voelen in afzonderlijke bijdrages, maar is nergens expliciet verwoord.

Die groeiende sociolinguïstische kloof is veel erger dan het in de bundel als mantra’s herhaalde jammerlijke gebrek aan trots op de eigen taal, de lachwekkende modieuze ‘Engelse ziekte’ en het ridicule Nederlandse dedain tegenover de eigen taal. Het Nederlandse Elite-engels polariseert de Nederlandse gemeenschap, die daardoor sectair verdeelder en onleefbaarder dreigt te worden.

Nederlands wordt niet meer bekeken als een volwaardige standaardtaal, waarin je zaken kan doen, onderwijs kan organiseren, wetenschap bedrijven of serieuze boeken kan schrijven

Bezigheidstaaltje voor Dutchies

Behalve de sociale kloof heeft de verengelsing ook andere ontwrichtende gevolgen en die komen allemaal expliciet of impliciet aan de orde in de bundel. Zo bijvoorbeeld de funeste weerslag op het Nederlands, dat door de anglofiele elite gedegradeerd wordt tot een bezigheidstaaltje voor Dutchies. Dutchies?Ja, een nieuw woord voor mij, dat ik oppikte uit de bijdrage van Claudia di Palermo. Het is een smalende expatbenaming voor die arme ‘inboorlingen’ die in Amsterdam nog Nederlands onder elkaar praten. De neerbuigendheid die van dit Engelse verkleinwoord afdruipt, druipt ook af op het Nederlands. Nederlands wordt niet meer bekeken als een volwaardige standaardtaal, waarin je zaken kan doen, onderwijs kan organiseren, wetenschap bedrijven of serieuze boeken kan schrijven. Nederlands is kennelijk ook niet meer de moeite van het leren waard. Deze attitude blijft natuurlijk niet zonder gevolg voor het Nederlands zelf. De taal verschraalt als we ze niet meer gebruiken voor alle facetten van het leven. Als we geen biochemie, ingenieurswetenschappen, theoretische wiskunde, filosofie, rechtswetenschap, neuropsychologie etc. meer praktiseren in het Nederlands, ontbreekt allengs het nodige vocabularium voor de nieuwe ontwikkelingen in deze disciplines en verengt het Nederlands tot een huis-, tuin- en keukentaal.

Onverkwikkelijke halftaligheid

In enkele meer doorwrochte stukken, onder meer van Piet Gerbrandy, Annette de Groot en Ad Verbrugge, is er ook uitvoerig aandacht voor het gevolg van de verengelsing op het taalprofiel van de gebruikers van het Importengels. Wat blijkt: zowel studenten als docenten blijven vallen tussen de wal van het Nederlands en het schip van het Engels. Dat Engels is Globish, “een verweekt en verbleekt Engels op krukken”, terwijl het eigen Nederlands, door academische verwaarlozing onttakeld, ook niet meer aan de maat is. Onverkwikkelijke halftaligheid is het resultaat.

Wie de bijzonder diverse bundel Against English onbevooroordeeld doorleest, zal zich gaandeweg een genuanceerd oordeel kunnen vormen over de betekenis en de waarde van de eigen taal en zal beslist niet terechtkomen in de ongenuanceerde afwijzing van het Engels die de titel suggereert. De overweging dat een Engelse koine ondertussen een realiteit is en dus een belangrijk te verwerven goed in een geglobaliseerde wereld, zal passend gerelativeerd worden door de vele argumenten om aan het Nederlands de volwaardige plaats te geven die het toekomt. De bundel is daarom alleen al een aanrader voor al wie zich geïnformeerd wil mengen in het debat over taalbeleid.

Ludo Beheydt is emeritus hoogleraar Civilisation néerlandaise en Linguistique néerlandaise aan de Université catholique de Louvain. Hij is lid van de redactie van Neerlandia.

Lotte Jensen, Niek Pas, Daniël Rovers & Koen van Gulik, Against English: Een pleidooi voor het Nederlands, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2019, ISBN 978 90 2845 022 6, 192 pp. Prijs: 17,99 euro.

Dit is een voorpublicatie van de recensie die verschijnt in Neerlandia 2019/4.