Mijn taal is op zijn best als ik met passie schrijf. Als het onderwerp op meer knoppen in mij drukt dan de taalknop: kwetsbaarheidsknop, verlangenknop, pijnknop. Op mijn slechtst was ik dat eerste jaar na de dood van mijn man, slechter dan in mijn eerste jaren in Nederland. Mijn brein kon niet dealen met zijn dood, nog steeds niet, maar we wennen eraan, mijn brein en ik. Maar wekenlang na zijn dood kon ik de dubbele klanken niet opschrijven, alsof de dubbele klanken uit mijn brein gewist waren. Botten werden boten. Hakken werden haken. Ik kon niet praten en mijn schrijftaal haperde ook heel erg.
Taal is een instrument, maar een zeer gevoelige, een wond, een litteken. Zo gevoelig dat het bijna een orgaan wordt, een orgaan in je lichaam. Je hart dat te hard slaat. Onze taal zegt veel over ons. De mensen van wie ik houd, verrijken ook mijn taal, niet alleen mijn leven. Sommige mensen menen dat ze je aura kunnen lezen. Ik doe dat ook, ik lees wie je bent, maar in je taal. Als ik ooit weer ga daten, hoop ik dat ik iemand ontmoet die van metataal houdt, die op zijn taal let en zijn taal als een penseel kan gebruiken. Bijna al mijn vrienden zijn gek op taal. Het eerste teken dat het niet zo goed met mij gaat, is als ik te moe ben om nieuwe woorden op te zoeken of een grammaticale wet.
Toch geloof ik niet in een talenknobbel, zoals we dat noemen. En ik ben allang gestopt met mensen tegenspreken als ze zeggen dat ik een talenknobbel zou hebben. Dat heb ik niet. Ik weet alleen hoe groot, hoe belangrijk, hoe machtig en mooi de taal is. En dit krachtige instrument, de taal, is voor iemand zoals ik, die elke vorm van controle afwijst, de enige meester die ik aanvaard. Ik zit onder de taal. Ik ben een aanbidster. Ik geef me over aan de taal. Maar mijn rouwende brein onthoudt minder en sommige fouten kan ik niet meer verbeteren. Mijn geheugen is de zee en de taal is het getij. Soms zit de taal tot in mijn laatste korrelcellen. Soms kan ik niet op woorden komen.
Ongeveer dertien jaar geleden, in een moeilijke fase in mijn leven, stelde ik me elke dag voor dat, als ik zou oversteken vanuit de bibliotheek naar de markt, in mijn heel korte pauze, waarin je geen tijd had om te eten, iemand in mijn oor zou fluisteren: Homerus. In mijn wilde dromen hoopte ik dat iemand zo brutaal zou zijn om in mijn oor animula, glandula, blandula te fluisteren, de kleine, onvergetelijke ode aan de ziel. Ik ben geen spat veranderd, maar de taal is steeds dichterbij gekomen en is bijna die persoon geworden. Vandaag las ik de volgende zin uit het vroegere werk van Stefan Hertmans: “Het is het litteken, dat waarde verleent aan het gave, omdat het verdichting van materie is door pijn.” In je fauteuil zitten met zo’n zin tussen je kiezen, waarom zou je weer willen daten?
"Taal is een instrument, maar een zeer gevoelige, een wond, een litteken. Zo gevoelig dat het bijna een orgaan wordt, een orgaan in je lichaam. Je hart dat te hard slaat."
-Mira Feticu-
Mira Feticu is een Roemeens-Nederlandse auteur.
Dit was een column uit Neerlandia nummer 4 van 2024.
Meer lezen?
Nog geen abonnee en wil je het tijdschrift eens op je deurmat ontvangen?