Interview met Sjef Barbiers, de nieuwe directeur van het INT
Sinds dit najaar heeft het INT, het Instituut voor de Nederlandse Taal, een nieuwe directeur: Sjef Barbiers. Hij is de opvolger van Frieda Steurs, die met pensioen ging. Wat trekt de hoogleraar taalkunde aan in deze functie? En wat kunnen we van hem verwachten?
Op 1 september dit jaar zette Sjef Barbiers, hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit Leiden, een opmerkelijke stap: op zijn zesenzestigste werd hij directeur van het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT), ook in Leiden. Het INT-pand is maar een paar straten verwijderd van het gebouw waar de universitaire taalkunde huist – in het begin liep Barbiers zelfs bijna een keer verkeerd – maar toch lijken het twee nogal verschillende werelden te zijn. Bovendien zou je denken dat hoogleraar een heel ander beroep is dan bestuurder. Was de overgang groot voor de nieuwe INT-directeur?
Barbiers: “Dat valt wel mee. De hedendaagse hoogleraar is voor een belangrijk deel ook een bestuurder. Als onderdeel van mijn functie was ik aan de universiteit bijvoorbeeld een aantal jaren voorzitter van de bachelor en master Nederlandse Taal en Cultuur, directeur van het Leiden University Centre for Digital Humanities, en later van het Leiden University Centre for Linguistics (LUCL). Ik had dan een paar dagen per week over voor onderzoek en onderwijs. Daar zal ik de komende vijf jaar tijdens mijn directeurschap trouwens mee doorgaan, want naast mijn werk op het INT blijf ik één dag per week hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de universiteit.”
“Intussen is er wel een belangrijk verschil tussen mijn onderzoek aan de universiteit en dat waar ik hier bij het INT mee te maken heb. Het INT is een onderzoeks-, kennis- en infrastructuurinstituut. Het gaat hier niet primair om taalwetenschappelijk onderzoek, maar eerder om het bedenken en maken van zogeheten onderzoeksinfrastructuur: we ontwikkelen en verzamelen gegevens, kennis en tools op het gebied van de Nederlandse taal en stellen die beschikbaar aan onderzoekers, het onderwijs en andere geïnteresseerden.”
Variatie
Het gesprek vindt plaats in Barbiers’ imposante werkkamer in het historische pand waar het INT sinds 2018 tijdelijk onderdak heeft. De ruimte is rijk voorzien van houtwerk met zwierige 18e‑eeuwse rococopatronen en wordt verder gedomineerd door een grote boekenkast met een bijna intimiderende hoeveelheid oude woordenboeken.
Had je als syntacticus, dus als deskundige op het gebied van zinsbouw, geen aarzelingen om aan de slag te gaan bij het traditioneel toch vooral op woorden en woordenboeken gerichte INT?
“Inderdaad ging het hier tot vlak voor het aantreden van mijn voorgangster Frieda Steurs, in 2016, vooral om lexicografie en lexicologie: om woorden en woordverzamelingen. We heetten toen ook anders: INL, Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Maar nu hebben we ook een afdeling grammatica. En dus stellen we naast historische woordenboeken en het hedendaagse Algemeen Nederlands Woordenboek ook bijvoorbeeld de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, digitaal beschikbaar. En we hebben het Taalportaal, een platform dat allerlei kennis biedt over de Nederlandse, Friese en Afrikaanse grammatica.”
“Wat voor mij ook van belang is, is dat het bij het INT gaat om alle variëteiten van het Nederlands, dus ook om de dialecten. Het INT is bijvoorbeeld betrokken bij een aanvraag die onlangs in Vlaanderen is gedaan voor een project dat voorziet in automatische transcriptie van Belgisch-Nederlands, inclusief de dialecten van het Nederlands die in Vlaanderen gesproken worden. En er is nog een andere reden waarom deze functie mij aantrok. Hoe langer hoe meer wordt duidelijk dat je in de talen en dialecten van de wereld steeds dezelfde zinsbouwpatronen aantreft. Onderzoekers veronderstellen tegenwoordig dat de variatie die er is, eigenlijk teruggevoerd kan worden op het lexicon, op de woordenschat. Als syntacticus die geïnteresseerd is in variatie, moet je dus juist dat lexicon bestuderen. Kortom, in deze baan draait het om zo ongeveer alles wat ik interessant vind.”
State of the art
Wat wil je veranderen bij het INT?
Dat is ook helemaal niet nodig. Onder Frieda Steurs is het INT een centrale speler geworden als het gaat om infrastructuur op taalgebied. Het is nu echt state of the art. Het instituut is betrokken bij allerlei grote projecten, zowel nationaal als internationaal, het heeft dankzij de taalkundigen en infrastructuurspecialisten die hier werken, alle expertise die je vandaag de dag nodig hebt, het functioneert prima en er heerst een goede sfeer.”
“Tegelijk is het duidelijk dat de wereld, en dus ook de taalinfrastructuur, razendsnel aan het veranderen is onder invloed van de zogeheten large language models (LLM’s), zoals ChatGPT. Dat biedt allerlei kansen; zo kun je ChatGPT of een ander LLM koppelen aan databanken van het INT, bijvoorbeeld de ANS. Toch schuilen er ook gevaren in. Amerikaanse techbedrijven nemen niet alleen vaak een loopje met het auteursrecht en de privacy en zo, ze richten zich ook vooral op grote Europese talen, zoals het Engels, Duits, Spaans en Frans. Om niet ondergesneeuwd te raken, zullen de kleinere talen zich dus sterk moeten positioneren. Dat kan bijvoorbeeld via ELEXIS, een infrastructuurorganisatie die verschillende Europese lexicografische bronnen op grote schaal koppelt en deelt. Het INT neemt daar ook aan deel, en kan op die manier een belangrijke taak vervullen: eraan bijdragen dat het Nederlands, en alle data van het Nederlands, in het digitale landschap sterk vertegenwoordigd zijn. Het is voor mij de komende vijf jaar een interessante uitdaging om dit verder uit te bouwen.”
Samenwerking
Een groot deel van het werk van het INT wordt verricht in samenwerking met de Taalunie, het officiële beleidsorgaan voor het Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname. Ook bij het INT houdt het Nederlands van oudsher niet op bij de Nederlandse grens. Het INT heeft zowel Nederlanders als Vlamingen in dienst, en verschillende van die Vlamingen werken daarnaast parttime aan de Katholieke Universiteit Leuven.
Hoe wil je dat Nederlands-Vlaams-Surinaamse karakter van het INT verder vormgeven?
“Net voor mijn komst heeft het INT een overeenkomst gesloten met de KANTL, de Vlaamse Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren in Gent, om samen in een langlopend onderzoek de ontwikkeling van de woordenschat en de grammatica van het Nederlands in kaart te brengen. Dat zal gebeuren op grond van grootschalig veldwerk en onderzoek – anders dan bij de tweejaarlijkse Staat van het Nederlands van de Taalunie, waarvan de uitkomsten gebaseerd zijn op interviews met taalgebruikers. Ons onderzoek zal daar een aanvulling op zijn.”
“Een ander voorbeeld is het projectvoorstel dat ik zojuist al noemde: de automatische transcriptie van Belgisch-Nederlands en dialecten van het Nederlands; dat is een project van de KU Leuven. Dit soort samenwerkingen is heel belangrijk; ik zal daar zeker mee doorgaan. Daarnaast wil ik de contacten met Suriname intensiveren, en ook die met onderzoeksinstellingen als de Fryske Akademy en het Meertens Instituut. Met de Leidse universiteit werken we al veel samen. INT-medewerker Carole Tiberius is daar één dag per week hoogleraar Computationele Linguïstiek, en mijn eigen aanstelling helpt ook.
Maar er zijn nog veel meer samenwerkingsmogelijkheden met de andere Vlaamse en Nederlandse universiteiten.”
Guur klimaat
De overheid snoeit de laatste jaren nogal op onderwijs en wetenschap. Onlangs werd weer bekend dat er in Vlaanderen flink bezuinigd wordt op de KANTL, waarover je het net had. Gaan jullie proberen meer op eigen benen te staan?
“Er zijn nog geen duidelijke signalen dat wij te maken krijgen met bezuinigingen. Maar los daarvan zijn er continu een aantal projecten die extern, dus van buitenaf, worden gefinancierd, bijvoorbeeld door de Europese Unie. Ik schat dat het om ongeveer twintig procent van ons werk gaat. Het INT is een publieke organisatie, dus het is niet zo makkelijk om in zee te gaan met private partijen. Maar er komt misschien een moment dat we moeten kijken of daar toch mogelijkheden liggen.”
Het klimaat is sowieso guur voor alles wat te maken heeft met geesteswetenschappen en cultuur. Hoe kun je je daar met het INT tegen teweerstellen?
“Gelukkig is de positie van het Nederlands niet erg omstreden. Het is zelfs zo dat de universitaire opleidingen Nederlands de afgelopen jaren extra financiële steun hebben gekregen van de overheid. Men ziet in dat de neerlandistiek ervoor zorgt dat iedereen in ons taalgebied het Nederlands goed beheerst en dat het Nederlands in de digitale wereld een volwaardige positie inneemt. En dit is ook precies waar het INT de hele tijd aan werkt. Deze rol zullen we blijven spelen. Daarnaast laten we het grote publiek en het onderwijs zien wat voor moois het Nederlands allemaal te bieden heeft, bijvoorbeeld met een podcast en boeken als Waar komt ‘pindakaas’ vandaan?”
Volgend jaar bereik je de pensioenleeftijd. Je zou je kunnen voorstellen dat je de universitaire weg gewoon nog even uitloopt en dan stopt, maar jij neemt vlak voor het einde nog een nieuwe afslag. Waarom?
“Het was mij al een aantal jaren duidelijk dat ik na mijn 67e graag nog een tijdje door wilde werken. En toen kwam deze functie vrij, waarin alles samenkomt waar ik thuis in ben en warm voor loop: Nederlands, grammatica, taalvariatie en onderzoeksinfrastructuur. Ik heb meteen mijn kans gegrepen.”
Sjef Barbiers (1959) werd geboren in Amsterdam en groeide op in Eindhoven. Aan de Leidse universiteit specialiseerde hij zich in zinsbouw (syntaxis); in 1995 promoveerde hij op het proefschrift The Syntax of Interpretation, waarna hij onderzoeker werd bij het Meertens Instituut in Amsterdam. Daar maakte hij onder meer de prestigieuze Syntactische Atlas van het Nederlands (SAND), waarin te vinden is welke grammaticale dialectverschijnselen wáár te vinden zijn. In 2016 werd hij hoogleraar Nederlandse Taalkunde in Leiden. Sinds 1 september dit jaar is hij directeur-bestuurder van het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT). Barbiers is getrouwd, heeft vier volwassen kinderen en is sinds kort grootvader. Hij leest graag binnen- en buitenlandse literatuur en houdt van fietsen, hardlopen en wandeltochten in het buitenland. Met zijn oudste zoon heeft hij een seizoenkaart voor Ajax.
Gunther Van Neste (Taalunie) over het INT
Behalve het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT) kreeg ook de Taalunie een nieuwe leiding. Sinds 2024 is Gunther Van Neste (48) algemeen secretaris van dit overheidsorgaan dat het taalbeleid van Nederland, Vlaanderen en Suriname ontwikkelt en uitvoert. In zijn nieuwe functie heeft hij veel te maken met het INT.
Van Neste: “De Taalunie en het INT zijn elkaars grootste partners. We werken intensief samen aan de uitvoering van de taken die bij de Taalunie zijn belegd op het gebied van de digitale infrastructuur van en voor het Nederlands. Op deze manier zorgen we ervoor dat het Nederlands een sterke taal is en blijft. Doordat onze doelstellingen op elkaar aansluiten en we samen de prioriteiten bepalen, draaien we met het Nederlands volwaardig mee in de (digitale) wereld.”
Kees van der Zwan werkte in het boekenvak voordat hij redacteur en later hoofdredacteur werd van Onze Taal. Sinds zijn pensionering in 2023 is hij freelance tekstschrijver en redacteur.
Dit interview stond in Neerlandia nummer 4 van 2025.
Dit nummer lezen?
Benieuwd naar ons tijdschrift van kaft tot kaft? Download hier gratis nummer 4 van 2025 en begin direct met lezen.