In 2015 keerde ik, een kleine twintig jaar na mijn afstuderen, als docent filosofie terug naar de universiteit. In de tussentijd had ik, onder andere als hoofdredacteur van Filosofie Magazine, met collega’s het domein ontwikkeld dat publieksfilosofie heet: een werkveld voor filosofen buiten de universiteit. Wij, afgestudeerde filosofen, wilden dat de filosofie een plek zou veroveren in het publieke debat, dat academische filosofische kennis haar weg zou vinden naar de samenleving. Het werd een groot succes: filosofen vonden hun weg naar de media en vice versa, en in het voortgezet onderwijs werd filosofie een keuzevak.
De kennis die ik had opgedaan in de journalistiek, bij culturele podia en maatschappelijke organisaties, wilde ik nieuwe filosofiestudenten bijbrengen, en ik meldde mij bij de universiteit. Ik was van harte welkom en ontwikkelde aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) een eerste vak Publieksfilosofie. Inmiddels doceer ik het aan de UvA en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Maar de universiteit is nu een heel andere dan die waaraan ik halverwege de jaren 90
afstudeerde (dat was in Nijmegen, overigens, het gaat me hier niet om de stad, maar om de filosofieopleiding). De programma’s zijn gestructureerder, er wordt onophoudelijk getoetst en geëvalueerd, maar vooral: vrijwel alle onderwijs is, zeker in de masteropleidingen, in het Engels, ook over Nietzsche en Heidegger.
Voor mijn vak is dat nogal merkwaardig. Als je bij wilt dragen aan het publieke debat met een opiniestuk voor de Volkskrant, moet je werken aan goed Nederlands. Filosofische cafés en lezingen zijn in het hele land vrijwel altijd in het Nederlands: bondig en begrijpelijk formuleren in eigen taal is een voorwaarde om daar onderdeel van te zijn. Kern van mijn vak is dan ook dat mijn studenten leren hun expertise om te zetten in begrijpelijk en aantrekkelijk Nederlands. Het gaat mij daarbij niet alleen over taal – ook! – maar vooral over verbondenheid met de eigen samenleving. Mijn studenten identificeren zich regelmatig meer met leeftijdgenoten uit andere Europese wereldsteden dan met de jongeren in Nistelrode of Emmen. Ik vind dat een probleem, ook voor universiteiten.
Wilma Vollebergh, hoogleraar Jeugdstudies, schreef in april in de Volkskrant een pittig stuk over de doorgeschoten internationalisering in het onderwijs. Doordat wetenschappers publiceren in internationale tijdschriften, neemt onderzoek naar binnenlandse problematiek af. Zo is er weinig onderzoek naar kwetsbare kinderen in Nederland, omdat die niet interessant genoeg zijn voor de internationale gemeenschap. Vollebergh stelt zelfs dat urgente Nederlandse problemen, zoals die van jongeren met een migratieachtergrond, uit de sociale wetenschap zijn verdwenen. Niet gemiddeld Europees genoeg.
Een ander voorbeeld. Er wordt de laatste jaren geklaagd over ideeënarmoede in de Nederlandse politiek. Volgens Merijn Oudenampsen, columnist bij De Groene Amsterdammer, houdt ook die verband met internationalisering. Politieke partijen en hun wetenschappelijke bureaus zijn veel te karig bemenst om echt aan kennis- en ideeënopbouw te doen. Tot de jaren 90, stelt Oudenampsen, vervulden economen, sociologen en politicologen hierin een belangrijk rol, maar ook zij publiceren liever internationaal, waardoor de ideeënarmoede in het Nederlandse maatschappelijke debat toeneemt.
Nu universiteiten werk moeten maken van valorisatie – het creëren van meerwaarde van je kennis buiten de universiteit – is men weer blij met mijn Nederlandstalige vak. Ik heb niets tegen het Engels in sommige vakken of publicaties, maar een universiteit is het aan haar stand verplicht te investeren in haar studenten én in de samenleving waar zij, hopelijk, midden in staat. Daartoe moet ze de taal van die samenleving stimuleren en onderhouden, en ten minste geïnteresseerd zijn in haar problematiek. Anders is elke poging tot ‘valorisatie’ of ‘impact’ gratuit.
"Als je bij wilt dragen aan het publieke debat met een opiniestuk voor de Volkskrant, moet je werken aan goed Nederlands. "
-Daan Roovers-
Daan Roovers is filosoof, Eerste Kamerlid voor GroenLinks-PvdA en lid van de Interparlementaire Commissie (IPC) die de Taalunie controleert.
Dit was een artikel uit Neerlandia nummer 3 van 2025.
Meer lezen?
Nog geen abonnee en wil je het tijdschrift eens op je deurmat ontvangen?