Taal

Recensie

Uit no.1,
2026

Een zwerm nonchalante vogels

Laurens De Vos

Lange tijd gold “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi anda thu” als het eerste gevonden zinnetje in de Nederlandse taal. Het was een zogenaamde pennenproef, een krabbel op een schutblad om te testen of de ganzenveer het naar behoren deed. We waren er heel blij mee; niet elke taal begint immers met zo’n mooie, romantische liefdesverklaring. Tot een taalkundige begin deze eeuw de illusie doorprikte; eerder dan om Oudnederlands zou het om Oudkents gaan met invloeden uit het Oud-West-Vlaams.

Hoe het ook zij, inmiddels heeft het bovenstaande zinnetje uit de 11e eeuw de rol moeten lossen. Zowat vierhonderd jaar eerder blijkt er immers al Oudnederlands geschreven te zijn. De door Clovis opgestelde Salische Wet bevat naast het Latijn als hoofdtaal ook een aantal vertalingen in de volkstaal, aangezien de accuraatheid waarmee bepaalde uitspraken gedaan werden, voor hun juridische geldigheid instond. En zo staat in dat wetboek onder meer: “Maltho, thi âfrîo, lito.” Letterlijk vertaald: “Ik zeg u, ik laat u vrij, laat.” Het was een formulering waarmee een heer een halfvrije boer zijn vrijheid kon geven. Officieel begint het Nederlands nu dus niet meer met een romantische dichtregel, maar met een juridische frase. In tijden waarin grote delen van de wereld opnieuw een autocratische richting uitgaan, is die vrijheidsgedachte om een taal te beginnen, wellicht toch ook iets om te koesteren.

Zestig stukjes

Dit alles verneemt de lezer in Van vogala tot noncha: Het historische verhaal van de Nederlandse taal van Miet Ooms. In een zestigtal korte stukjes vertelt zij het verhaal achter een object, manuscript, initiatief of ontwikkeling om zo de kronkelige wegen in kaart te brengen die het Nederlands de afgelopen 1500 jaar heeft afgelegd. Aan het begin van elk stukje neemt Ooms ons mee naar de ontstaansgeschiedenis van een tekst of ander taalkundig verschijnsel met een verlevendigde enscenering, waarna de onderzoeker het overneemt en er tekst en uitleg bij verschaft.

Het gevaar van een dergelijke benadering ligt in mogelijke versnippering: een caleidoscopische verzameling van – weliswaar interessante – anekdotes die de grote verhaallijnen over het hoofd ziet. Ooms vangt dat risico evenwel netjes op. Regelmatig verwijst ze naar eerdere of latere hoofdstukken om bepaalde ontwikkelingen in kaart te brengen. En taalkundige verschijnselen vallen nooit zomaar uit de lucht, maar worden in hun politieke, economische en sociale tijdsgeest geplaatst. Dat het aantal manuscripten in het Middelnederlands in de 13e eeuw een hoge vlucht neemt, bijvoorbeeld, is een direct gevolg van de opkomst van de burgerij, die handel voerde in de volkstaal. En uiteraard kun je niets zinnigs zeggen over het Nederlands in de 16e en 17e eeuw zonder vermelding van de godsdienststrijd en de Tachtigjarige Oorlog.

Doorgeprikte mythes

Daarnaast worden een aantal mythes doorgeprikt die hardnekkig blijven doorleven. Dat roemruchte eerste zinnetje uit het Oudnederlands is er een van uiteraard, maar ook de rol die de Statenbijbel gespeeld zou hebben in de standaardisering van het Nederlands. De spelling werd bij publicatie in 1637 al als archaïsch ervaren, en behalve een aantal versteende Bijbelse uitdrukkingen, zoals een ongelovige Thomas of een doorn in het oog, is de invloed van de door de Staten-Generaal goedgekeurde Bijbel op het Standaardnederlands bijzonder summier. In het kader van de protestantse natievorming aan het begin van de 19e eeuw leende deze prestigieuze vertaling zich evenwel prima tot een identiteitsvormend project.

En dan is er nog de mythe van de achtergestelde Zuidelijke Nederlanden na de val van Antwerpen in 1585, die volgens Ooms enigszins moet worden bijgesteld. Het is zeker niet zo dat de ontwikkeling naar een normering van het Nederlands enkel een verhaal van het Noorden is, want ook in het Zuiden werden boeken gepubliceerd die trachtten tot een uniformisering te komen, met dat onderscheid dat men zich in Vlaanderen vooral richtte op spelling en het wegzuiveren van bastaardwoorden, terwijl in het Noorden de grammatica veel meer onderhevig was aan die normeringsdrang. Ondanks die nuancering valt het in Ooms’ wandeling door de geschiedenis van het Nederlands eens te meer op hoe verwoestend de impact van de scheiding met name voor de Zuidelijke Nederlanden geweest is.

Mijlpalen

Men kan opmerken dat er andere keuzes mogelijk waren in de selectie van de mijlpalen, en dat is precies wat Ooms zelf doet in haar inleiding. Kiezen is altijd een beetje verliezen. In dit boek dus geen Gijsbrecht van Aemstel van Vondel, waarmee in 1638 de Stadsschouwburg in Amsterdam plechtig geopend werd. Naar mijn – bijzonder subjectieve – aanvoelen ligt er iets te veel nadruk op de talloze pogingen om tot een harmonisering van de spelling te komen, niet alleen tussen (het huidige) Nederland en Vlaanderen, maar ook daarbinnen. Zoals dat doorgaans gaat in geschiedenissen, krijgt het huidige tijdsbestek verhoudingsgewijs meer aandacht dan de vroegste periode, zo rond de 6e eeuw. Grotendeels ligt dat natuurlijk aan de beschikbare hoeveelheid bronnen. Het maakt wel dat bepaalde stukjes in het laatste gedeelte over de meest recente decennia – over de ontwikkeling van de Gooise r bijvoorbeeld, of over Tien voor Taal – niet altijd even urgent aanvoelen. Die soms te betwisten relevantie wordt echter opgevangen doordat deze stukjes hun onderwerp iets minder centraal plaatsen om het bredere plaatje (taalprogramma’s op televisie, bijvoorbeeld) te tekenen.

Overigens is dat verschil in aanpak subtiel maar duidelijk aanwezig voor de recentere geschiedenis in het boek. Werden thema’s of mijlpalen tevoren nog als zwaartepunt van het stukje beschreven – weliswaar zonder de brede context uit het oog te verliezen – dan fungeren zij in de 20e eeuw veel meer als een aanleiding of voorbeeld van een bepaalde ontwikkeling. Zo is het stukje over de vernederlandsing van de Gentse universiteit een opstapje om de verdere taalwetgeving in het België van de jaren dertig in gerecht, administratie en leger te behandelen.

Afrikaans en Fries

Het is niet meer dan detailkritiek in een zowel erudiet als toegankelijk overzichtswerk, dat de lezer meeneemt op een reis langs het Nederlands, waarbij de fragmenten van het Oudnederlands tot onze taal vandaag door de eeuwen heen almaar herkenbaarder worden, als een nauwelijks te onderscheiden schim in de mist die langzaam maar zeker duidelijkere contouren aanneemt. Bovendien worden ook de meest verwante talen niet over het hoofd gezien. In kort bestek schetst Ooms de ontstaansgeschiedenis van het Afrikaans en zijn ontwikkeling tot een autonome taal. En terecht merkt de auteur op dat het gevecht voor de erkenning van het Fries in Nederland behoorlijk wat verwantschap vertoont met de Vlaamse taalstrijd. Dat laatste thema is ook de reden waarom de focus in de 20e eeuw verhoudingsgewijs iets meer op Vlaanderen ligt. Maar voor de rest krijgen we een netjes tussen Nederland en Vlaanderen uitgebalanceerde geschiedenis.

Laurens De Vos is doctor in de literatuur- en theaterwetenschap. Hij schrijft toneelstukken, romans en non-fictie over theater, literatuur en cultuur en geeft daarover ook lezingen.


Dit was een artikel uit Neerlandia nummer 1 van 2026. 

Meer lezen?

Nog geen abonnee en wil je het tijdschrift eens op je deurmat ontvangen?

Bestel een proefabonnement



 

Lees ook
Afbeelding
Omslag boek vertalen in de Nederlanden, een cultuurgeschiedenis
Taal
Recensie
Uit no.4,
2022
Ludo Beheydt

VERTALEN IN DE NEDERLANDEN

Afbeelding
Omslag van het boek De Tawl van Philip Dröge
Taal
Recensie
Uit no.4,
2024
Paul van Velthoven

DE TAWL

Afbeelding
Prinses Juliana ontvangt het eerste exemplaar van het Groot Woordenboek van Hedendaags Nederlands op Paleis Soestdijk
Taal
Artikel
Uit no.1,
2024
Ruud Hendrickx

LEXICOGRAFIE