Er loopt een Matthäus-kloof door de Lage Landen

Het succes van de Matthäus-Passion in onze ontkerkelijkte maatschappij

door Jan Dewilde

Kommt ihr Töchter helft mir klagen.
Sehet – wen? – den Bräutigam,
Seht ihn – wie? – als wie ein Lamm,
Sehet – was? – seht die Geduld,
Seht – wohin? – auf unsre Schuld.
Sehet ihn aus Lieb’ und Huld
Holz zum Kreuze selber tragen.

Het indringende openingskoor uit de Matthäus-Passion BWV 244 zal de volgende weken opnieuw in vele kerken en concertzalen in Nederland en Vlaanderen te horen zijn. Het begin meteen van telkens weer een bijzondere (luister)ervaring, al is het maar omdat dit veellagige meesterwerk ook een aanslag op het zitvlees is: afhankelijk van de dirigent duurt een uitvoering al vlug tussen twee en een half uur en drie uur, pauze niet meegerekend. Gezeten op een oncomfortabele bank in een kille kerk vergt het bijwonen van Johann Sebastian Bachs dramatische verklanking van het passieverhaal een zekere volharding. Toch is dit gecanoniseerd meesterwerk bijzonder geliefd, en de populariteit lijkt alleen maar toe te nemen. Terwijl de kerken leeglopen, laten koren en concertorganisaties ze in de passietijd opnieuw vollopen. Dankzij Bach.

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

De populariteit van de Matthäus-Passion steunt in de Lage Landen op een lange traditie die werd aangewakkerd door legendarische uitvoeringen onder de leiding van Willem Mengelberg in Amsterdam en Lodewijk De Vocht in Antwerpen. Met het Toonkunstkoor Amsterdam bracht Mengelberg van 1899 tot 1944 jaarlijks de Matthäus-Passion in het Concertgebouw, meestal op Palmzondag. De uitvoeringen werden druk bijgewoond én becommentarieerd, en vanaf 1925 werden ze ook rechtstreeks op de radio uitgezonden, wat voor een nog grotere impact zorgde. In Antwerpen zette De Vocht een soortgelijke prestigieuze reeks op met zijn oratoriumkoor Chorale Caecilia, waarmee hij tussen 1925 en 1967 45 keer Bachs bekendste passie dirigeerde (in een Nederlandse vertaling). Beide dirigenten opteerden voor het grote gebaar en een, naar hedendaagse normen, massale bezetting. Bovendien deelden ze sommige Nederlandse solisten, zoals de bas-bariton Willem Ravelli en vooral de sopraan Jo Vincent. Deze geliefde zangeres was dus goed geplaatst om de Bachuitvoeringen van beide maestro’s te vergelijken. In haar memoires Zingend door het leven zag ze veel gelijkenissen en noemde ze de uitvoering van De Vocht “een uitvoering à la Mengelberg, nog hartstochtelijker, met het slotkoor als apotheose – waarop natuurlijk een laaiend applaus volgde, met bravogeroep”. Na Mengelbergs dood werd De Vocht dan ook in 1946 geëngageerd om in Amsterdam een volledig Nederlandse uitvoering te dirigeren, met als solisten Jo Vincent, Theodora Versteegh, Louis van Tudler, Frans Vroons, Willem Ravelli en Hermann Schey, en verder het Toonkunstkoor en het Concertgebouworkest.

Partituur van de Matthäus-Passion betekend door Willem Mengelberg Collectie Nederlands Muziek Instituut / Haags Gemeentearchief

De ‘romantische’ benadering van Mengelberg en De Vocht, en van hun directe navolgers, zorgde voor een vruchtbare klankbodem, waartegen de ‘pioniers’ van de oudemuziekbeweging zich konden afzetten, aan beide kanten van de Moerdijk. Deze generatie ontwikkelde over de grenzen heen intense contacten. Zo werkten aan de legendarische ‘eerste authentieke’ uitvoering van de Matthäus-Passion door de Groningse Bachvereniging in 1973 naast Gustav Leonhardt en Ton Koopman ook de Vlamingen René Jacobs en Sigiswald Kuijken mee, die later zelf voor spraakmakende Bach-uitvoeringen zorgden. En daarnaast waren er natuurlijk nog klinkende namen als Frans Brüggen, Jos van Veldhoven of Philippe Herreweghe. Deze laatste voerde de Matthäus-Passion niet alleen met zijn eigen Collegium Vocale vele keren in binnen- en buitenland uit, hij werd en wordt ook gevraagd door buitenlandse ensembles en orkesten, ook in Nederland. Zo dirigeerde hij het Concertgebouworkest in dit werk en dit jaar werd hij opnieuw gevraagd door de Nederlandse Bachvereniging.

Lodewijk De Vocht en zijn troepen bij de generale repetitie van de Matthäus-Passion in maart 1929 in de Bourlaschouwburg in Antwerpen

Onder die Vlaams-Nederlandse kruisbestuivingen en samenwerkingen is er een opmerkelijk verschil merkbaar in hoe de Matthäus-Passion beleefd wordt. Het aantal uitvoeringen ligt in het Noorden beduidend hoger en bovendien is de beleving er totaal anders. In 2018 turfde men in Nederland maar liefst 187 uitvoeringen. Voor Vlaanderen zijn er geen precieze cijfers bekend, maar men raakt er nauwelijks of niet aan een tiende van dat aantal. 187 uitvoeringen, dat betekent niet alleen duizenden uitvoerders – professionelen en amateurs – het brengt in Nederland ook een massaal publiek op de been dat in de weken voor Pasen naar kerken en concertzalen trekt om er samen hetzelfde werk te horen en te beleven. En dat die beleving anders is dan in Vlaanderen, tonen ook de politici, captains of industry en andere BN’ers die graag gespot worden op de jaarlijkse uitvoering in de Grote Kerk in Naarden, het kloppend hart van de toch wel erg levendige Nederlandse Matthäus-traditie.

In 2018 turfde men in Nederland maar liefst 187 uitvoeringen, in Vlaanderen raakte men nauwelijks of niet aan een tiende van dat aantal

De enorme populariteit van het werk is ook de media niet ontgaan. In welk land kan je in primetime scoren met een item over een religieuze compositie uit 1727? Twee jaar geleden presteerde Matthijs van Nieuwkerk het om Reinbert de Leeuw, de Holland Baroque Society en het Nederlands Kamerkoor in De Wereld Draait Door te halen om het te hebben over “het hoogste wat de menselijke geest heeft voortgebracht”, dixit de Leeuw. Op de webstek van het populaire programma kon je je verdiepen in “11 Matthäus Passion-feiten om indruk mee te maken in de kroeg”. Je kan dus blijkbaar in een Nederlandse kroeg indruk maken met het antwoord op vragen als “Waarom heet dit een ‘passie’ en niet gewoon een ‘opera’?” Ik ken geen enkel Vlaams café waar je hiermee andere tooghangers imponeert … En wat te denken van Mattheus Masterclass, een televisieprogramma van de Evangelische Omroep waarin muzikale BN’ers als Rob de Nijs en Gerard Joling zich vergrijpen aan aria’s uit Bachs oratorium? Ook fenomenen als de Meezing-Matthäus, waarbij iedereen in het publiek – geschoold zanger of niet – alle koorpartijen mag meezingen, of de uitvoering in Friese vertaling vorig jaar in Leeuwarden, wijzen op een enthousiastere omgang met de passie in het protestantse Nederland dan in het katholieke Vlaanderen. In de passietijd wordt Nederland Bachland en trekt de Matthäus-Passion jaarlijks weer een hype op gang.

Je kan dus blijkbaar in een Nederlandse kroeg indruk maken met het antwoord op vragen als “Waarom heet dit een ‘passie’ en niet gewoon een ‘opera’?”

Het blijft moeilijk te doorgronden waarom in een ontkerkelijkte maatschappij ook veel ongelovige mensen in de weken vóór Pasen massaal die ene passie willen horen, zoals het ook moeilijk te begrijpen is waarom dat in Nederland intenser gebeurt dan in Vlaanderen. Er zijn natuurlijk de objectieve feiten: de macht van het getal (Nederlanders zijn met meer, hebben meer koren …) en er is de onmiskenbare invloed van de zeer actieve Nederlandse Bachvereniging. Maar dat verklaart lang niet alles. Daarnaast is er ook nog het succes van het op televisie uitgezonden The Passion, dat sinds 2011 op Witte Donderdag telkens in een andere Nederlandse stad wordt georganiseerd. En dat scholen en verenigingen passiespelen opvoeren, is ook een fenomeen dat Vlaanderen vreemd is. Dat de Nederlandse samenleving zo gefascineerd lijkt door de passietijd, leidde tot het onderzoeksproject Dutch passion for Passion. Antropologe Irene Stengs, verbonden aan het Meertens Instituut en de Vrije Universiteit Amsterdam, zoekt verklaringen in de ‘vererfgoedisering’ van religie en in de sacralisering van erfgoed.

Hoe het ook zij, dat verklaart nog altijd niet de opvallende Matthäus-kloof die door de Lage Landen loopt. Het onderwerp voor een nieuw onderzoeksproject? Dan kunnen we in vrede rusten.

Wir setzen uns mit Tränen nieder,
Und rufen dir im Grabe zu:
Ruhe sanfte, sanfte ruh!

Jacob Cornelisz. van Oostsanen (ca. 1472/1477-1533), De kruisiging (ca. 1507/1510) Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-1967

Jan Dewilde is coördinator van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek en bibliothecaris van het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen.
Contact: jan.dewilde@ap

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2019/1. Bekijk de inhoud van dit nummer.

Naar boven