“Doet-jè sprèk noh Nèjerlas?”

Met de taaltijdmachine naar het Nederlands in 2220

door Peter Alexander Kerkhof

De deur gaat open. Met veel gesis wordt de lucht uit de luchtsluis geblazen. Een zonderlinge figuur stapt uit een zonderlinge capsule. Op een schermpje boven de deur van de capsule knippert het jaartal 2220. Je besluit naar hem toe te lopen en hoort de persoon spreken. “Ek groet!” zegt hij. “Ek kom àt de verlèjeh! Doet-jè sprèk noh Nèjerlas?”

Dat is even schrikken. Een Nederlands zonder werkwoorduitgangen, waarin de Noord-Nederlandse tweeklanken versimpeld zijn en de woordvolgorde verhaspeld. Maar wat zou er eigenlijk gebeuren als we met een 23e-eeuwer een gesprekje zouden voeren? Zouden wij hem kunnen verstaan? Hier heeft de taalwetenschap een duidelijk antwoord op: Jazeker! In de taalgeschiedenis is tweehonderd jaar namelijk een hele korte tijd. We kunnen tenslotte ook nog zonder problemen de boeken van Multatuli lezen. Zelfs Vondel en Bredero lukt de meeste mensen nog wel. Pas met Middeleeuwse teksten wordt het een stuk moeilijker. Maar hoe zou het Nederlands in de komende tweehonderd jaar veranderen? Op deze vraag blijft de wetenschap u het antwoord schuldig.

Dat heeft hiermee te maken: de toekomstige ontwikkeling van het Nederlands hangt af van politieke, culturele en sociale ontwikkelingen die zich niet laten voorspellen. Net zomin als we weten hoe de mode er over tweehonderd jaar uitziet, kunnen we ook niet voorspellen hoe het Nederlands er over tweehonderd jaar uitziet. Maar taalwetenschappers hebben inmiddels wel grip gekregen op hoe taal verandert en, belangrijker nog, waarom taal verandert. In dit artikel zal ik dan ook aantal mogelijke toekomstscenario’s voor de Nederlandse taal schetsen. Maar de lezer moet zich realiseren dat de taalwetenschap hierover alleen maar kan speculeren. Elk scenario moet dus met een grote korrel zout worden genomen.

Scenario 1 – Het Nederlands valt uit elkaar

Laten we beginnen met de olifant in de kamer. Nu veel Vlamingen de Nederlandse standaardtaal niet langer als een norm zien die het gesproken taalgebruik moet dicteren, is het goed voorstelbaar dat ergens in de komende tweehonderd jaar het Nederlands opsplitst in een Noord-Nederlands en een Zuid-Nederlands. Zelfs nu gebeurt het geregeld dat Vlamingen en Nederlanders elkaar slecht kunnen verstaan, zeker wanneer geen van beide partijen voor een neutrale woordkeuze kiest. Vooral in staande uitdrukkingen en expressief taalgebruik gaat het fout. Denk bijvoorbeeld aan een Vlaming die zegt “Wij komen goed overeen” en een Nederlander die vraagt “Wat zijn we dan overeengekomen?”

Als we deze trend vooruit projecteren op het jaar 2220, zou je dus zomaar een grammatica Vlaams nodig hebben om je in Vlaanderen verstaanbaar te maken en een grammatica Nederlands voor in Nederland. Vooral in Vlaanderen kan de wegval van de noordelijke taalnorm grote gevolgen hebben. Zuid-Nederlandse klankeigenaardigheden zoals de zachte g en de Vlaamse klinkers zijn daarbij nog het minst belangrijk. Wat vooral een grote invloed kan hebben op de nieuwe ‘Zuid-Nederlandse standaardtaal’ is het wegvallen van de rem op Franse leenvertalingen in de woordenschat, woordvolgorde en uitdrukkingen. Waar veel Vlamingen zich nu nog realiseren dat alles aan 1 euro een gallicisme is, zou dat over tweehonderd jaar weleens heel anders kunnen zijn.

Scenario 2 – Het Nederlands blijft één, en Vlaams en Nederlands vermengen zich opnieuw

Het volgende scenario is een stuk dramatischer, maar desalniettemin een plausibele mogelijkheid. Zo is het goed voorstelbaar dat door een overstroming of een natuurramp de politieke en culturele verschillen tussen Nederland en Vlaanderen in een nabije toekomst ter zijde worden geschoven en beide gesproken varianten binnen enkele generaties vermengen tot een nieuwe Nederlandse eenheidstaal.

Stel nou dat de inwoners van Nederland en België door een ingrijpende catastrofe over beide landen herverdeeld zouden worden, zodat Noord-Nederlandssprekers te midden van de Zuid-Nederlandssprekers zouden komen te wonen (of andersom). Volgens de laatste inzichten in de taalwetenschap zouden de verschillen tussen het Vlaams en het Nederlands dan heel snel uitgeëffend worden. Zou dat de taal kunnen veranderen? Jazeker. Zo zou je bijvoorbeeld vermenging van Noord-Nederlandse klanken met Zuid-Nederlandse Vlamismen kunnen aantreffen. Een soortgelijke ontwikkeling heeft het historische Brabants van Noord-Brabant ondergaan, dat in de 16e eeuw nog vrijwel identiek was aan het Antwerps, maar inmiddels veel Hollandse klanken heeft overgenomen. Maar voor ons toekomstscenario moeten we er rekening mee houden dat de nieuwe taal zonder twijfel een ‘Hollands’ karakter zou houden, al was het alleen maar omdat de Noord-Nederlandssprekers in de meerderheid zijn.

Scenario 3 – Beide varianten van gesproken Nederlands veranderen drastisch door de invloed van buitenlandse talen

Ons laatste scenario is misschien voor sommige mensen het ultieme horrorscenario. Taalkundig, daarentegen, is het veruit het meest interessante toekomstperspectief. Dit scenario is gebaseerd op de theorie van de beroemde taalkundige William Labov, die stelt dat talen versneld veranderen wanneer een samenleving ingrijpende sociale en demografische veranderingen ondergaat. Zo was de val van het Romeinse rijk en de invasie van Germaanssprekende volkeren belangrijk voor de versnelde ontwikkeling van het Latijn naar het Frans en de Normandische invasie voor de versnelde ontwikkeling van het Engels van Beowulf naar het Engels van Shakespeare.

Stel nou dat in de komende honderd jaar veel sprekers van niet-westerse talen in Nederland en België zouden komen te wonen. In zo’n geval is het aannemelijk dat de eerste generatie die het Nederlands leert, moeite heeft met het Nederlandse klanksysteem en de Nederlandse grammatica. Dat leidt tot zogenaamde migrantenaccenten in het Nederlands, zoals ze in het verleden veelvuldig beschreven zijn. Denk bijvoorbeeld aan het Italiaans-Vlaams of aan het Marokkaans-Amsterdams. Misschien heeft het Migrantennederlands van over tweehonderd jaar de vormleer van het Nederlands ingrijpend versimpeld. Geen werkwoordvervoegingen meer, geen geslachtsonderscheid meer. “Doet-jè sprèk noh nèjerlas?”, zoals in mijn fictieve voorbeeld van de tijdreiziger. En misschien dat er wel allemaal vreemde klanken het Nederlands binnensluipen. Wat denk je van een Afrikaanse klik in uitdrukkingen zoals het Nederlandse “tsja”?

Daar kunnen modekreten zoals fake news en populaire leenwoorden zoals awkward weinig aan veranderen

Zulke migrantenaccenten verdwijnen meestal redelijk snel, wanneer de migrantengemeenschappen opgaan in de grotere samenleving. Maar stel nou dat sprekers met zo’n migrantenaccent de meest toonaangevende posities in de samenleving zouden gaan innemen: politici, dokters, advocaten, nieuwslezers. Dan is het goed denkbaar dat iedereen, van Den Helder tot Zierikzee, en van Kalmthout tot Brussel, dat Migrantennederlands gaat imiteren, zodat deze migrantenvariant de prestigieuze nieuwe standaardtaal wordt. Naar de invloed van soortgelijke migrantenaccenten in de taalgeschiedenis wordt tegenwoordig veel onderzoek gedaan. Het is daarom goed om je te realiseren dat de standaardtalen zoals we ze nu kennen, misschien ook door dergelijke migrantenaccenten zijn beïnvloed. Zo blijkt uit recent onderzoek dat de uitspraak van het moderne Engels wellicht beïnvloed is door Vlaamse migranten en die van het Zweeds wellicht door Lapssprekende migranten.

Talen zijn altijd in verandering

Tot zover de toekomstscenario’s voor het Nederlands. Maar u zult zich misschien afvragen: En de invloed van het Engels dan? Of de invloed van het Chinees? Zal het Nederlands over tweehonderd jaar niet geheel weggevaagd zijn door deze internationale talen? Naar mijn mening is dat erg onwaarschijnlijk. Het Nederlands is een groot taalgebied, met een groot aantal sprekers. Laten we niet vergeten dat meer dan twintig miljoen mensen elke dag Nederlands spreken. Het overgrote deel van die taalgebruikers is erg gehecht aan zijn taal. Daar kunnen modekreten zoals fake news en populaire leenwoorden zoals awkward weinig aan veranderen. Dat neemt niet weg dat de binnenkomst van leenwoorden uit belangrijke contacttalen zonder twijfel aan zal houden. Maar misschien zijn dat over tweehonderd jaar wel vooral leenwoorden uit het Hindi of uit het Wolof!

Laten we eindigen met de simpele vaststelling dat talen constant aan het veranderen zijn. Dat deden ze honderdduizenden jaren geleden toen vroege menssoorten voor het eerst talig met elkaar communiceerden. Dat deden ze vijftienhonderd jaar geleden toen de Franken de grondslagen van het Nederlands legden. En als we ooit met een tijdreiziger uit het jaar 2220 in het Nederlands van gedachten zouden wisselen, verwacht ik dat hun taal ongetwijfeld anders klinkt dan de onze. Of dat iets moois is of iets verschrikkelijks, mag iedereen voor zichzelf bepalen. Onvermijdelijk is het in ieder geval.

Peter Alexander Kerkhof is docent aan de Universiteit Leiden. Hij is historisch taalkundige.
Contact: p.a.kerkhof@hum.leidenuniv.nl

Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2018/4. Bekijk de inhoud van het nummer.

Naar boven