Limburg heeft het!

Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten digitaal doorzoekbaar

door Nicoline van der Sijs

Tussen 1983 en 2008 zijn 39 afleveringen verschenen van het Woordenboek van de Limburgse dialecten. De inhoud van alle delen is half december 2016 voor iedereen doorzoekbaar op internet geplaatst. Wat voor informatie kun je daar zoal vinden?

Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD) is in 1961 opgezet door de Nijmeegse hoogleraar A.A. Weijnen. Het bijzondere van dit woordenboek is dat het niet, zoals traditionele dialectwoordenboeken, dialectwoorden bevat met toelichtingen of vertalingen, maar dat het uitgaat van een Nederlands begrip. Zo’n begrip is glijbaan. Achter dat begrip wordt vermeld welke Limburgse woorden ervoor gebruikt worden, hoe die woorden worden uitgesproken en in welke plaatsen ze bekend zijn. Als er voldoende gegevens beschikbaar zijn, is er ook een kaartje getekend. Uit kaartje 1 blijkt dat in het Limburgs voor glijbaan vooral roetsjbaan, met de verkorting roetsj, wordt gebruikt, en dat er daarnaast ook gezegd wordt sleur(baan), schijvel, schrikkel, voorts schuifaf en ritsaf en dat tot slot samenstellingen met berg worden gebezigd: reddeberg, schroevelberg en ritsberg.

Kaartje 1: glijbaan, WLD deel III 3, 2 (Feest en vermaak), kaart 47

Systematische woordenboeken

Een dergelijk woordenboek, dat uitgaat van een Nederlands begrip, heet een systematisch of onomasiologisch woordenboek. Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten was niet het eerste systematische woordenboek dat de dialectoloog Weijnen opzette. De Brabander Weijnen was in 1960 begonnen met het Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Daarna breidde Weijnen het werkterrein uit naar het Limburgs, en nog weer later naar het Vlaams. Voor het Limburgs werkte hij samen met zijn Leuvense collega Jan Goossens. Het WLD is namelijk grensoverschrijdend: het beslaat de Nederlandse en Belgische provincies Limburg, en daarnaast in België ook een aansluitend gebiedje in het noordoosten van de provincie Luik, tot vlak bij de plaats Limbourg, dat vroeger grotendeels behoorde tot het hertogdom Limburg (zie kaart 2). In dit Luikse gebied is de lokale streektaal Limburgs, terwijl in de aangrenzende plaatsen een Frans of Duits dialect wordt gesproken.

De Limburgse dialecten zijn buitengewoon interessant omdat ze worden doorsneden door allerlei dialectgrenzen die tot ver in Duitsland doorlopen (kaartje 3 en 4). Het bekendst is de Benrather lijn, die geldt als scheiding tussen het Hoogduitse en Nederduitse taalgebied, en die in Limburg de westelijke grenslijn vormt van de Ripuarische dialecten: de dialecten ten westen van de Benrather lijn gebruiken de vorm maken met een k, en de dialecten ten oosten zeggen machen met ch (en komen dus overeen met het Hoogduits). De Uerdinger lijn, die de zuidgrens van het Kleverlands vormt, is een zijlijn van de Benrather lijn; in Nordrhein-Westfalen vallen de grenzen samen. Ten zuiden van de Uerdinger lijn zegt men ich en ouch,

ten noorden ik en ouk ‘ook’. De Panninger lijn is de grenslijn van de Oost-Limburgse dialecten, waarvan een gemeenschappelijk kenmerk is dat ze een sj-klank kennen bij de medeklinkercombinaties sl-, sm-, sn-, sp-, st- en zw- aan het begin van het woord: sjlaope (‘slapen’), sjmere (‘smeren’), sjnavel (‘snavel’), sjpele (‘spelen’), sjtrikke (‘breien’) en zjwart (‘zwart’).

Kaartje 2 – het Limburgssprekende gebied in het WLD, waartoe ook een gebiedje behoort in het noordoosten van de provincie Luik, ten zuidoosten van Nederlands Limburg en de Voerstreek, dat vandaag deels officieel Frans en deels officieel Duits taalgebied is.

Voor de materiaalverzameling van het WLD zochten Weijnens assistenten om te beginnen in alle Limburgse plaatsen informanten die bereid waren vragenlijsten in te vullen. Die informanten kregen jarenlang enquêtes toegestuurd die ze trouwhartig invulden en terugzonden naar Nijmegen. Een team van twaalf redacteuren stelde vervolgens de afleveringen van het woordenboek samen op basis van de binnengekomen antwoorden, aangevuld met bestaande literatuur.

De 39 afleveringen van het WLD zijn in drie delen verdeeld. Het eerste deel omvat de zogenaamde agrarische woordenschat, met woorden betreffende landbouw en veeteelt. Hierin kun je bijvoorbeeld vinden hoe kinderen de kippen noemen (o.a. tsjiepjes, juupjes, tikjes, tokjes, tietjes, tuutjes, kiekjes, pikjes, pulletjes en hoendertjes). Het tweede deel bevat de vaktalen, met woorden van inmiddels verdwenen beroepen, zoals die van huisslachter, turfsteker, stroopstoker en buntgrasvlechter. Het derde deel tot slot bevat de algemene woordenschat, met namen van flora en fauna, en begrippen uit de mensenwereld. Een apart deel is bijvoorbeeld gewijd aan de namen voor kledingstukken. Daaruit blijkt dat men de spijkerbroek hier en daar turksleren broek noemde, of fluitjesbroek, kwade broek, punaisebroek, puttersbroek, werkbroek, sportboks of texasboks. Het materiaal is afkomstig uit de jaren zestig en zeventig, en in die periode, zo blijkt uit de voorbeelden, werd een spijkerbroek beschouwd als typische werkbroek.

Digitalisering

Het derde deel van het woordenboek werd door de redacteuren direct op de computer samengesteld. Maar van de eerste twee delen waren tot voor kort alleen maar gedrukte exemplaren beschikbaar. Die waren inmiddels wel gescand. Er was al eens geprobeerd die scans om te zetten naar een database, maar die eerste poging was niet gelukt. In 2015 echter heeft het infrastructuurprogramma CLARIN-NL subsidie gegeven voor het project CARE: CuRatie en integratie REgionale woordenboeken. Met die subsidie konden enkele assistenten, stagiairs en vrijwilligers met technische ondersteuning van de Radboud Universiteit alle delen omzetten naar een database. Aan diezelfde universiteit is vervolgens de zoekapplicatie ontwikkeld, zodat nu alle gegevens via http://e-wld.nl beschikbaar en doorzoekbaar zijn.

Voor het eerst kunnen we tellen hoeveel materiaal de woordenboeken eigenlijk bevatten: in het e-WLD blijken 17.539 begrippen te staan, 137.231 trefwoorden en 1.759.090 dialectopgaven, verzameld in ruim 1000 Limburgse plaatsen ofwel dialecten (iedere plaats vertegenwoordigt een eigen dialect).

De mijnen: van zeverijjong tot kuilhoer

Uniek voor Limburg is de mijnbouw. Hieraan is dan ook een speciaal deel gewijd. De Nederlandse mijnen zijn in de jaren zestig en zeventig gesloten, en in de jaren negentig overkwam de Vlaamse mijnen hetzelfde. Gelukkig is de woordenschat van de mijnwerkers

vastgelegd toen dat nog kon. In de negentien mijnen (twaalf in Nederlands-Limburg en zeven in Belgisch-Limburg) werd een bijzondere vorm van het dialect gesproken: de kompels kwamen van heinde en ver en spraken verschillende Limburgse dialecten, maar ook andere Nederlandse, Vlaamse, Duitse of Waalse dialecten, en er waren zelfs arbeiders uit o.a. Polen en Brazilië. Op de Nederlandse mijnenterminologie had het Duits de grootste invloed omdat veel arbeiders afkomstig waren uit Aken en omgeving, terwijl in de Vlaamse mijnen veel Franse leenwoorden werden gebruikt dankzij Waalse arbeiders.

Kaartje 3: indeling van de Limburgse dialecten

Het woordenboek toont ons de vervlogen wereld van de mijnbouw. Er waren tal van namen voor de mijnwerkers, sommige neutraal (werkman, arbeider, kameraad, maat, bovengronder, ondergronder, kompel), andere min of meer spottend of minachtend (kuilpiet, kolenpiet, kuilpik, koolputter, kuilman, kolenklauwer, kolengraver, bergmann, kolenhannesje, berglui, kuilkoppen, nachtuilen en zwarte duivels). Die mijnwerkers groetten elkaar met glück auf. Een nieuwe mijnwerker werd ontgroend met een kuilstamp of putdoop, waarbij met een voorhamer werd geslagen op een schop die tegen zijn al dan niet blote achterwerk werd gehouden.

Mijnen kenden allerlei taken die daarbuiten onbekend waren, en dat gaf aanleiding tot veel intrigerend klinkende beroepsnamen. Een jongen die bovengronds van een transportband stenen uit de kolen haalde, heette leesjong(en), zeverijjong, steenraper, trieur, trieerder of een van de triage. Een houtjong of vaarjong was belast met het transport van houten stijlen, terwijl een kabeljong de lier moest bedienen. De kiebelmeester of kiebelmajoor moest de ondergrondse wc-tonnen (kiebels, met een Duits leenwoord) verwisselen. De badknecht, ook wel kouwewärter, moest het badlokaal schoonhouden, en of hij dat goed deed, werd gecontroleerd door de badmeester, kouwemeester, kouwwachter, badkerel, chef bain, chef douches of chef bain-douches. Overdreven harde werkers werden minachtend door hun collega’s akkoordbedervers genoemd, of doodwroeters, kuilhoeren, oude hoeren, streberen, gekken, draufhouwers, wolven en schofters, terwijl een luie arbeider met vuile piemel of vuile beer werd aangeduid.

Kaartje 4: De Rijnlandse waaier met de Benrather lijn en andere isoglossen die de basis zijn van de dialectgrenzen © Juschki

De benamingen voor de bedrijfsleiding, die ook over het ontslag ging (zie kader) waren ook niet allemaal even complimenteus, zo sprak men o.a. van grote bazen, hoge pieteberen, bouffers (Frans voor schransers), hoge heren en bloedzuigers. Het administratieve personeel kreeg eveneens minachtende benamingen. Daar waren ook wel redenen voor, want bureauwerk was natuurlijk aanzienlijk minder zwaar dan het werk in de mijnen, en bovendien had het administratieve personeel een bevoorrechte positie ten opzichte van de kompels, onder andere doordat ze tijdens ziekte niet werden gecontroleerd door de gehate ziekencontroleur. Dat verklaart benamingen als kantoormannetjes, bureaupieten, dikkoppen, heren met de witte/stijve kragen, heren met hersens, die met kraag en binde, pennenlikkers, zoetwatermatrozen, siroopbeambtes, gatlikkers, bureauluizen, leeglopers, jan-mijn-voetesen, klootmajoors en kemelsbende.

Voor het werk in de mijnen was speciale kleding nodig. Werkkleding heette kuilkleder, putkleren, putcostuum, kuilpungel, kuilanzug of putlommelen. Een (ter bescherming gedragen) halsdoek heette halsplag, kuilhalsdoek, kuilplag, foulard, rode zakdoek, zakdoek, maalslat of maalplag. Een mijnpet was een kuilpats, kuilkap, helm, puthoed, oude hoed of mutsje, een onderhemd heette zweetkieltje, zweetstubje, zweethemdje of lijfje.

Het zware werk onder de grond bezorgde de mijnwerkers allerlei ziektes en kwalen, waarvoor ze eigen benamingen hadden. Zo noemden ze de mijnwormziekte, een ingewandsziekte, kuilworm of mijnworm. Als gevolg van veel kruipen in lage pijlers konden steenpuisten ontstaan, die ze putzweer, bloedzweer, steenzweer, kruipknie of negenoger noemden. En hoest als gevolg van mijnstof heette puthoest, kuilhoest, stubhoest, kuch, krucht of bronchitis.

Het bovenstaande geeft slechts een vluchtige eerste indruk van het rijke materiaal dat het Woordenboek van de Limburgse Dialecten bevat; wie nieuwsgierig is geworden, moet zeker een bezoekje brengen aan de website e-WLD. Daarbij moet bedacht worden dat het materiaal gemiddeld zo’n 45 jaar oud is, dus het geeft het taalgebruik weer van onze ouders of grootouders.

Ontslaan en ontslagen worden in de Limburgse mijnen In de mijnen was het arbeidsverloop hoog. Er werd dus veel ontslagen en ontslag genomen, en voor dat pijnlijke proces bestonden veel eufemistische synoniemen, zoals ook tegenwoordig nog veel eufemismen de harde realiteit verzachten (ze hebben afscheid van elkaar genomen, de directie moest hem laten gaan). In de mijnen zei men dat zo:

– Ontslagen worden: ontslagen werden, zijn dagen krijgen, afgedankt worden/werden, gekundigd zijn, kundigung krijgen, zijn opzeg krijgen, zijn boek (= werkboekje) krijgen, boek en centen krijgen, vortgejaagd werden, vortgaan, de papieren krijgen, de flappen krijgen, de zak krijgen.

– Ontslag nemen: zijn ontslag pakken, zijn demissie nemen, (zich) de papieren halen/nemen/krijgen/pakken, de papieren vragen, kundigen, zijn boek pakken, boek en centen pakken, (zijn) dagen doen, zeggen dat men zijn dagen gaat doen, zijn dagen opzeggen, (zijn) dagen laten opzetten, zijn opzeg geven, uit zichzelf gaan, vortgaan, nalaten, bedanken, de pin derop zetten, de pin derin houwen, uitscheiden.

Nicoline van der Sijs is hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands in de digitale wereld in Nijmegen en senior-onderzoeker bij het Meertens Instituut te Amsterdam. Met dank aan oud-redacteur Joep Kruijsen. Contact: post@nicolinevdsijs.nl.

Dit artikel is gepubliceerd in Neerlandia, jaargang 121, 2017, nummer 1.
Bekijk de inhoud van dit nummer.

 

Naar boven